Search
Close this search box.

Stemmen verandert minder dan je denkt

Ja, de PVV is de grootste. Maar laten we de invloed van ons stemgedrag niet overdrijven, schrijven Hannah van Binsbergen en Enzo Rossi. Er zijn betere manieren om politiek te bedrijven.
Beeld: Mensen in stemlokaal, 25 mei 1973, Foto: Rob Bogaerts, Anefo Bron: Nationaal Archief.

Abonneer je voor €30 en krijg toegang tot alle artikelen en dit jaar twee nummers op papier.

De PVV is als grootste partij uit de Tweede Kamerverkiezingen gekomen. Dat is even slikken, om het nog zacht uit te drukken. Het is duidelijk dat Nederland een groot probleem heeft met racisme. Er staan ons, naast half gemeende verhuisberichten, de nodige debatten te wachten over in hoeverre er hier sprake is van een ‘proteststem’. Maar misschien is er een andere soort proteststem, die stelselmatig over het hoofd gezien wordt: de niet-stemmers.

Het thema bij uitstek van deze verkiezingen was, naast bestaanszekerheid, ‘vertrouwen in de politiek’. Als je kijkt naar hoeveel mensen gestemd hebben, zou je eigenlijk zeggen dat het wel goed zit met dat vertrouwen. De opkomst bij de Tweede Kamerverkiezingen ligt in Nederland traditioneel relatief hoog, en dit jaar vormde met een opkomst van 78,2% geen uitzondering. Je kunt daaruit de conclusie trekken dat Nederland een gezonde democratie heeft, met burgers die overtuigd zijn van het belang en de effectiviteit van volksvertegenwoordiging. Het is de moeite waard te onderzoeken hoe het komt dat die opkomst relatief hoog is, en of dat daadwerkelijk betekent dat de democratie gezonder is dan op plekken met een lagere opkomst.

Nederland heeft wat ze noemen een kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging. Dat wil zeggen dat de zetelverdeling in de Tweede Kamer wordt vastgesteld op basis van alle stemmen die zijn uitgebracht op een partij. Het aantal stemmen dat nodig is voor één zetel is dus het totaal aantal stemmen gedeeld door het aantal beschikbare zetels (150). Daarnaast is Nederland niet opgedeeld in verschillende kiesdistricten, maar worden alle stemmen op één hoop gegooid. Het feit dat Nederland klein is maakt dat natuurlijk een stuk gemakkelijker. Door dit systeem kunnen kleine partijen in de Tweede Kamer komen met één of twee zetels.

Als we willen winnen moeten we de krachten bundelen van degenen die gestemd hebben maar teleurgesteld zijn, en van hen die niet stemmen.

In veel landen zijn er barrières die het voor kleinere partijen vrijwel onmogelijk maken om in het parlement te komen. Het verst verwijderd van het Nederlandse model is een meerderheidsstelsel zoals dat in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk gebruikt wordt. In landen met zo’n meerderheidsstelsel ligt de opkomst bij verkiezingen beduidend lager: tijdens de presidentsverkiezingen van 2020 in de Verenigde Staten was die 66%, de hoogste opkomst in decennia. Tussen 1980 en 2016 lag de opkomst gemiddeld zo’n tien procent lager. Kleinere partijen en onafhankelijke kandidaten maken vrijwel geen kans in zo’n systeem.

Ons kiesstelsel wekt de indruk dat we ook een ander soort democratie hebben, waarin radicalere stemmen hun eigen bescheiden rol kunnen spelen in de politieke arena. Soms krijgen ze zelfs de kans om mee te regeren, als zo een meerderheid behaald kan worden. De hogere opkomst lijkt dit idee te onderschrijven: mensen hebben er vertrouwen in dat het zin heeft om te gaan stemmen. De vraag is of dat vertrouwen terecht is. Recente studies laten opmerkelijk vergelijkbare patronen zien bij landen, onafhankelijk van opkomst of welk soort kiesstelsel ze hebben. De overeenkomst is dat de rijkste 10% de meeste invloed heeft op het beleid. Sterker nog, uit een onderzoek uit 2019 naar de invloed van verschillende bevolkingsgroepen, blijkt dat wanneer er een verschil in standpunt is tussen de rijkere en armere bevolkingsgroepen, alleen de rijken invloed hebben op het beleid. Het feit dat mensen met hogere inkomens vaker gaan stemmen heeft wel invloed, maar is niet genoeg om hun invloed te verklaren. Wie is dan de dwaas, de linkse radicaal die vol goede moed op een marginale partij stemt (of met lood in de schoenen voor centrumlinks) of de cynicus die het hele electorale circus links laat liggen? De verschillen in uitkomst worden in elk geval schromelijk overdreven. 

Vakbonden en sociale bewegingen kunnen met directe actie onbemiddeld reageren op wat er in de levens van hun leden gebeurt.

Misschien wordt het tijd om onszelf te bevrijden van de illusie dat onze stem zo veel uitmaakt. Vergis je niet, dit is geen principieel betoog tegen stemmen. Als er een linkse partij was die de electorale vertegenwoordiger was van een massabeweging van de werkende klasse, en van wie formele politiek slechts een van de tactieken was om macht te verwerven, zouden we er onmiddellijk op stemmen. Zo’n partij is er niet, en zo’n beweging is er niet. Dan is het beter om je te concentreren op andere vormen van politieke organisatie, met het doel zo’n beweging uiteindelijk op te bouwen. Het signaal dat de 22,8% niet-stemmers afgeeft, is dat ze onverschillig, wantrouwend of hopeloos staan tegenover de formele politiek. De groep die zich zo voelt is vermoedelijk een stuk groter, maar door ons kiesstelsel zien we dat niet zo snel. Ze worden netjes verdeeld over marginale partijen en middenpartijen.

Als we willen winnen moeten we de krachten bundelen van degenen die gestemd hebben maar teleurgesteld zijn, en van hen die niet stemmen. Het is veelzeggend dat de opkomst in deze verkiezingen opvallend laag was op plekken waar de bevolking doorgaans het meest progressief is: in de grote steden. Er zijn vele manieren om politiek te bedrijven. Vakbonden en sociale bewegingen kunnen met directe actie onbemiddeld reageren op wat er in de levens van hun leden gebeurt. Dat is echte politieke betrokkenheid: niet wachten op partijen om standpunten aan te reiken, maar vechten voor betere levensomstandigheden, meer democratie op de werkvloer en tegen de door de overheid gesubsidieerde vernietiging van de planeet door fossiel kapitaal. Dit soort politiek activeert mensen als politieke spelers, in plaats van dat ze aan de zijlijn staan en hun vertegenwoordigers toejuichen of weghonen.

Hannah van Binsbergen is hoofdredacteur van Jacobin Nederland.
Enzo Rossi is universitair hoofddocent politicologie.