Search
Close this search box.

De werkvloer als democratische leerschool

Democratie leidt een dubbelleven: voor de wet zijn we gelijk, maar als werkers hebben we niet tot nauwelijks inspraak in het hoe en waarom van de arbeid die we verrichten. Ware democratie vereist een fundamentele transformatie van deze machtsverhoudingen.
Bron: Wikimedia Commons

Abonneer je voor €30 en krijg toegang tot alle artikelen en dit jaar twee nummers op papier.

Onlangs was ik aanwezig bij een optreden van een goede vriend. Na afloop bezochten we een kroeg, waar ik aan de praat raakte met een jongeman van rond de dertig. Tijdens het voorstelrondje vroegen we naar elkaars werk en ik vertelde kort over mijn onderzoek naar het democratiseren van werk. De man keek me verward aan en vroeg me om mijn woorden te herhalen: ‘democratie en werk? Wat bedoel je? Wat hebben die met elkaar te maken?’

Nu werkte de jongeman voor de afdeling duurzame energietransitie van de Shell, iets dat wat mij betreft zo ongeveer gelijkstaat als werken bij de diversiteitscommissie van de Proud Boys, maar het waren oprechte vragen. Bovendien waren het vragen die belangrijke aannames van vele mensen blootleggen. Namelijk, dat democratie iets is wat in het parlement gebeurt en verder eens in de vier jaar langskomt tijdens de parlementsverkiezingen. Werk (en dan hebben we het hier voor het gemak over werk in loondienst) aan de andere kant, is een sfeer van handelen die zo goed als buiten de politiek zou staan en waarbinnen het democratisch gelijkheidsideaal verder niet van toepassing is.  

Wat als democratie een alledaagse werkelijkheid zou zijn?

Terwijl ik mijn best deed om mijzelf te verklaren, speelde de enorme overwinning die de PVV bij de afgelopen verkiezingen boekte zich als een film af in mijn hoofd. Alle sociale onvrede over het gebrek aan bestaanszekerheid, het afgenomen vertrouwen in de overheid, en de erbarmelijke staat van de zorg (om er maar een paar te noemen) die zich uiteindelijk concentreerde in de figuur van Wilders en zijn belofte van dit alles verleden tijd te maken, als we de immigratie maar een halt toe zouden roepen. Mijn hoofdgedachte bij deze film was er een die niet lang geleden is geuit door de Amerikaanse politiek filosoof Carol Gould. Zij stelt dat het gebrek aan democratische manieren van handelen en besturen in de wijdere sociale sfeer, in het bijzonder op de werkvloer, het aanzien van democratische waarden doet afbrokkelen en juist die van autoritaire verhoudingen versterkt. Want als de zeggenschap over je tijd en handelen op werk en daarbuiten steeds meer aan de belangen van aandeelhouders en de grillen van de markt is overgeleverd, dan kan democratie al gauw als een vaag idee klinken. Een idee bovendien van anderen, een idee dat je in eigen dagelijks leven niet ervaart.

Maar hoe is democratie als ideaal en praktijk dan verbonden met werk en de economie? En wat als we, in plaats van telkens te rouwen over de voortschrijdende teloorgang van de liberale democratie, deze laatste zouden proberen te transformeren en verdiepen door haar principes ook op de werkvloer te doen gelden? Wat als democratie een alledaagse werkelijkheid zou zijn?

Het dubbelleven van de democratie 

Dat democratie niet alleen een politiek stelsel of een methode om beslissingen te nemen is, maar zich ook verhoudt tot werk en klasse, zou ons eigenlijk helemaal niet moeten verbazen. Dit was Aristoteles, een van de eerste filosofen die zich met het vraagstuk van de democratie bezighield, namelijk zo’n 2000 jaar geleden al duidelijk. Aristoteles omschreef de democratische staatsinrichting als een die in handen is van een ‘vrijgeboren en arme meerderheid’. Daar tegenover stond de oligarchische staatsinrichting als een ‘rijke en hooggeboren minderheid’ die de touwtjes in handen heeft. Belangrijker nog dan het verschil in getal was voor hem echter het verschil in rijkdom en sociale klasse dat tussen deze twee groepen bestaat. Zelfs al zou een gemeenschap vol rijkelui een minderheid van werkende armen besturen, dan was dit volgens Aristoteles nog geen democratie. Want wat de democratie volgens hem in het bijzonder kenmerkte, was dat het een vorm van politieke organisatie betrof waarbij een werkende klasse geen aanspraak op de macht kon maken op grond van afkomst, bezit, rijkdom, of kennis, maar wel op grond van een universeel en egalitair principe van vrijheid. Dat wil zeggen vrijheid van onderdrukking en de vrijheid om als gelijke deel te nemen aan het openbare leven. 

Met andere woorden, de democratie was voor Aristoteles onlosmakelijk verbonden met de politisering en ontwrichting van klassenverhoudingen. Tot aan het eind van de negentiende eeuw was dit een gangbaar inzicht in Europa en daarbuiten. Het was ook de reden waarom voor het grootste gedeelte van deze periode democratie door machthebbers en de aristocratie als een gevaarlijk en radicaal idee werd gezien. Maar ook de opkomende Europese bourgeoisie van de negentiende eeuw vatte democratie op als een bedreiging, vooral voor de kapitalistische economie. Want hoe zou het kapitalisme, gestoeld op de macht van privébezit, ooit verenigbaar kunnen zijn met een idee van politieke gelijkheid tussen de klasse van bezitters en zij die voor hen werken? 

Dit begrip van democratie als onlosmakelijk verbonden met de vrijheid van de werkende klasse is natuurlijk allang niet gangbaar meer, het is mondjesmaat vervangen door een liberale interpretatie die zich beter laat verenigen met de hedendaagse kapitalistische maatschappij. Democratie wordt dan gezien als een politiek stelsel van parlementaire vertegenwoordiging, verkiezingen, scheiding der machten en de rechtstatelijke bescherming van burgerrechten. Daar moet wel bij worden gezegd dat de uitbreiding van deze democratische rechten, zoals het algemeen kiesrecht of de achturige werkdag, zeker niet cadeau werden gedaan. Hier is begin twintigste eeuw hard voor gevochten door onder andere de vakbeweging en de feministische beweging. 

Maar wat kenmerkend is voor het moeizame huwelijk tussen kapitalisme en de democratie zoals we dat nu kennen, is dat gelijkheid in de ‘formele’ politieke sfeer kan bestaan naast concrete ongelijkheid en uitbuiting in de sociaaleconomische sfeer en dat deze twee sferen tot op zekere hoogte los zijn gekoppeld. Over dit gespleten samenzijn merkt socioloog Göran Therborn in zijn beroemde essay The Rule of Capital and the Rise of Democracy droogjes op dat het gezag van kapitaal prima verenigbaar is met het bestuur van een verkozen arbeidspartij, terwijl een feodale aristocratie met geen mogelijkheid bestuurd zou kunnen worden door een partij van landarbeiders zonder dat daarmee alle sociaaleconomische verhoudingen op hun kop gezet worden.

We kunnen dus wel zeggen dat met de komst van het kapitalisme de democratie een dubbelleven is gaan leiden. Aan de ene kant gelijke politieke rechten en gelijke burgerrechten. Aan de andere kant onvrijheid, ongelijkheid en uitbuiting op het werk en overlevering van burgers aan de grillen van de arbeidsmarkt. Met andere woorden: de democratie stopt bij de deur van je werk. Werkers zijn genoodzaakt ergens in loondienst te gaan (tenzij ze toevallig beschikken over een fikse erfenis) en worden daarmee over het algemeen onderdeel van bedrijven waarbinnen ze niet tot nauwelijks zeggenschap hebben over hun arbeidssituatie, laat staan over de belangen die deze bedrijven najagen. Bovendien is met de flexibilisering van de arbeidsmarkt, de afbrokkeling van sociale voorzieningen en de verzwakking van de vakbeweging de machtsverhouding tussen werkers en werkgevers nog verder scheefgegroeid. Zo heeft dit dubbelleven van de democratie ondertussen meer weg van een schizofrene episode. 

Macht en zeggenschap op werk

Zolang politieke vrijheid is gescheiden van de vrijheid om deel te nemen aan collectieve besluitvorming over het eigen werk en over de doelen van de economie leven we niet in een volledige democratie. Deze kritiek op de tekortkoming van de liberale democratie heeft sinds Marx hem uitte niets aan relevantie ingeboet. Het meest radicale antwoord hierop uit de socialistische hoek was dan ook de gedeeltelijke dan wel volledige socialisatie van privébezit en democratische zeggenschap van werkers binnen de organisaties waar zij werkzaam zijn. Toegegeven, het vraagstuk van eigendomsverhoudingen is niet los te zien van dat van de democratisering van werk. Maar om ons even te beperken tot de werkvloer: hoe moeten we de democratie daar dan voor ons zien? 

Eén manier om dit voor te stellen is om de werkvloer te vergelijken met een politieke gemeenschap. Hoe goedhartig de werkgever ook moge zijn, werk is momenteel een domein waar werkers geen burgers zijn die kunnen stemmen op vertegenwoordigers of zelf een bestuurlijke rol kunnen vervullen, maar waar zij onderdanen zijn. Democratie op werk staat dan gelijk aan het winnen van politieke rechten voor werkers. Dat kan een vorm van medezeggenschap betekenen, zoals Isabelle Ferreras onlangs betoogde. Werkers zouden dan inspraak krijgen bij de verkiezing van belangrijke bestuurders, maar ook bij de algemene koers van een onderneming en de verdeling van de winst. Een probleem bij zulke medezeggenschap is wel dat in het geval van een sterk conflict de belangen van werkers te makkelijk kunnen worden genegeerd als daar verder geen consequenties aan verbonden zijn. Daarom pleiten anderen voor een vorm van zelfbestuur, zoals in een coöperatie waar werkers zelf mede-eigenaren zijn én samen besturen.

Als werkers meer zeggenschap over hun eigen arbeidssituatie krijgen, dan komen belangen en waarden die voorbij het winstoogmerk gaan veel meer aan bod – belangen en waarden die bovendien direct putten uit de ervaringen van werkers zelf. 

In beide gevallen gaat het er in de kern om de machtsverhoudingen op werk op een meer horizontale manier te organiseren en daarmee de macht van het kapitaal dat de huidige werkvloer beheerst om te vormen dan wel uiteindelijk op te heffen. Dit klinkt vrij abstract, maar iedereen die bijvoorbeeld wel eens in een callcenter of als bezorger werkte, zal het eenzijdige principe op basis waarvan zo’n werkplek is georganiseerd herkennen. Alles is gericht op winst maken: de timers, de performance-scores, de targets. Het arbeidsproces is hier georganiseerd rondom de belangen van één enkele partij: de aandeelhouders en hun bestuurlijke vertegenwoordigers. Deze belangen (efficiëntie, lage loon- en arbeidskosten, marktgroei, etcetera) staan vaak lijnrecht tegenover die van werkers. Dit zie je met name in grotere bedrijven, waar managers en leden van het bestuur verder van de werkvloer verwijderd zijn. Als werkers meer zeggenschap over hun eigen arbeidssituatie krijgen, dan komen belangen en waarden die voorbij het winstoogmerk gaan veel meer aan bod – belangen en waarden die bovendien direct putten uit de ervaringen van werkers zelf. 

Voor de duidelijkheid: het gaat er hier niet om efficiëntie als waarde categorisch af te wijzen, of om alle vormen van autoriteit op de werkvloer af te schaffen. Ook coöperaties zullen efficiënt te werk willen gaan en hiërarchie of autoriteit binnen de werkplek zal waarschijnlijk nodig blijven. Het gaat hier echter om de huidige arbitraire autoriteit van managers over de productie- en arbeidskrachten en om die van bestuursleden en aandeelhouders over de belangen van het bedrijf. Deze vinden hun rechtvaardiging momenteel voornamelijk in de brute macht van privébezit. Terwijl macht dus niet zal verdwijnen op werk kan deze wel een democratisch karakter krijgen. Bijvoorbeeld door managers democratisch te verkiezen, zeggenschap te krijgen over je arbeidsproces en inspraak te krijgen over de doelstellingen en winstverdeling van het bedrijf waar je werkt. Hoe dit eruit komt te zien zal per sector en soort werk verschillen, maar de kerngedachte is dat iedere persoon die zich in vereniging met anderen met een gemeenschappelijke activiteit bezighoudt (ofwel: werk) ook het recht heeft om als gelijke deel te nemen in het proces dat leidt tot beslissingen over zowel het hoe van deze activiteit als het waarom.

De werkvloer als democratische leerschool 

Het doel van de democratisering van werk gaat dus een stuk verder dan het ideaal van de sociaaldemocratie, waarbij de tegenstrijdigheden tussen kapitaal en arbeid door een sterke welvaartsstaat en publieke voorzieningen tegen worden gegaan. Democratie op werk schept de mogelijkheid deze tegenstrijdigheden van binnenuit te transformeren. Het achterliggende doel is dan om de macht van het privébezit, en de beperkte belangen die het najaagt binnen het bedrijfswezen en over de economie als geheel, te vervangen door een democratische vorm van macht die gemeenschappelijke belangen in deze sferen zowel kan vormen als behartigen. Hierbij wordt dus geen genoegen genomen met een rol in de oppositie, de inzet is niets minder dan een verregaande transformatie van het hart van het kapitalisme.  

Bovenal wordt hiermee het gespleten en daarmee zelf-ondergravende karakter van de huidige neoliberale democratie ook tegengegaan. Het is weliswaar in abstracte zin mogelijk een scheiding aan te brengen tussen de politieke en de economische sfeer, met gelijkheid als leidend principe in de ene en competitie in de andere; de werkelijkheidservaring verdraagt deze gespletenheid slecht. Met andere woorden, het zou erg raar zijn als de verhoudingen van ongelijkheid, ondergeschiktheid, machteloosheid en competitie die velen ervaren op werk of op de arbeidsmarkt zich enkel in de ervaringswereld van het ‘economische’ zouden bevinden en verder geen relatie met de politiek zouden hebben. Dit wil niet zeggen dat er een eenduidig verband is tussen, bijvoorbeeld, bestaansonzekerheid en de ruk naar rechts. Maar de ondemocratische manier waarop men gewend is te handelen en behandeld te worden in het werkende leven doet zich ook daarbuiten gelden. 

Werk is ook de plek waar samenwerking werkers noodzaakt ervaringen uit te wisselen, na te denken over verschillende manieren van werken, voorgeschreven werkmethodes te bekritiseren, andere perspectieven in te nemen en waar problemen worden opgelost in gezamenlijk overleg.

De potentie van democratie op werk zit er dus ook in dat het fungeert als een soort democratische leerschool. Zoals de Franse filosofen en sociologen Jean-Philippe Deranty en Emmanuel Renault betogen is de werkvloer een belangrijke plek voor de verdieping van de democratie. En dat is niet alleen omdat je daar zoveel tijd doorbrengt: het is ook de plek waar samenwerking werkers noodzaakt ervaringen uit te wisselen, na te denken over verschillende manieren van werken, voorgeschreven werkmethodes te bekritiseren, andere perspectieven in te nemen en waar problemen worden opgelost in gezamenlijk overleg. Zelfs al gebeurt dit in meer of mindere mate op de huidige werkvloer, werkers kunnen vervolgens niks met al deze kennis en kritiek doen. Als puntje bij paaltje komt hebben de meeste werkers zich maar te schikken naar de beslissingen die voor hen door anderen zijn genomen. De werkvloer als zodanig kan zich ontwikkelen tot een plek waar democratische manieren van handelen zich in de alledaagse beleving wortelen, maar dit vermogen wordt echter momenteel belemmerd door de kapitalistische, ondemocratische organisatie van werk. 

De conclusie moet dan zijn dat enkel de ‘politieke’ democratie, beperkt tot institutionele procedures en het spektakel van de verkiezingen, ontoereikend is om de democratische gewoontes van handelen en denken te onderhouden die haar eigen voortbestaan en verdere ontwikkeling zeker moeten stellen. De negatieve spiraal van het huidige dubbelleven van de democratie, waarbij de politieke democratie ondermijnd wordt door de ervaring van ondergeschiktheid op de werkvloer en op de arbeidsmarkt, moet worden omgevormd tot een positieve feedback loop. Een waar de politieke democratie haar weerslag vindt in de dagelijkse ervaring van werkers. Het is daarom cruciaal dat de zeggenschap van het kapitaal over het hoe en waarom van werk afneemt en dat werkers (op z’n minst!) democratische vertegenwoordiging weten af te dwingen.

Ten slotte, het vormen van deze feedback loop moeten we ons niet voorstellen als een ideaal toekomstbeeld of beleidsstuk. De kiem voor het democratiseren van werk ligt namelijk al besloten in het hier en nu: in de ervaring van arbitraire machtsverhoudingen op de werkvloer en in de arbeidsmarkt, in de vele conflicten omtrent werk die vandaag de dag al plaatsvinden. Veel van deze conflicten spelen zich op de rand van de werkvloer af: in de flexeconomie van tijdelijke, flexibele en onzekere banen of in de ‘nieuwe’ vormen van uitbuiting die men vindt in de klus- en platformeconomie. Het democratiseren van werk, in deze situaties en in het algemeen, is dan niet enkel een kwestie van de implementatie van een andere organisatiestructuur, maar betreft in eerste instantie de zelforganisatie van en door werkers om hun stem te ontwikkelen en om deze duidelijk te laten horen. Ook deze strijd is namelijk een democratische leerschool, in de zin dat deze collectieve zelforganisatie neerkomt op de ontwikkeling van een eigen stem van werkers in het strijdperk van de arbeidsverhoudingen en daarmee op de ontwikkeling van werkers zelf als politieke spelers.

Zo begrepen is de democratisering van werk een doorgaand proces dat begint in het hier en nu en in de strijd op allerlei fronten – op de werkvloer, in de vakbond, in sociale bewegingen in het parlement, in politieke partijen – voor een gelijkwaardiger bestaan. Een gelijkwaardiger bestaan dat misschien ook een medicijn biedt tegen het sluipend autoritarisme dat is meegelift op het neoliberalisme van de afgelopen decennia.  

Thijs Keulen is politiek en sociaal filosoof verbonden aan de Universiteit van Edinburgh. Zijn onderzoek richt zich op het democratiseren van werk, de politieke dimensies van precariteit en economische democratie.