Search
Close this search box.

Was Marx een ‘degrowth-communist’? Filosoof Kohei Saito vindt van wel

In Marx in the Anthropocene gebruikt de Japanse filosoof Kohei Saito Marx’ meest obscure geschriften om milieufilosofische en socialistische ideeën met elkaar te verenigen. Hoe een degrowth-communisme er daadwerkelijk uit zou zien en waarom we dat moeten willen, blijft vaag.

Abonneer je voor €30 en krijg toegang tot alle artikelen en dit jaar twee nummers op papier.

In 2017 publiceerde de Japanse Marx-geleerde Kohei Saito het boek Karl Marx’s Ecosocialism. Een jaar later ontving hij daarvoor de Isaac and Tamara Deutscher Memorial Prize en sindsdien is hij een academische superster in Marxistische en ecologische kringen. The Guardian publiceert geregeld artikelen over zijn werk en van Saito’s boeken worden in Japan met gemak honderdduizenden exemplaren verkocht. Karl Marx’s Ecosocialism is gebaseerd op zijn doctoraatsonderzoek in de archieven van Marx en Engels. Het is een studie van Marx’ notitieboeken van na de publicatie van deel I van Das Kapital. Marx documenteert daarin zijn lezing van natuurwetenschappelijke studies over ecologie en landbouw. Saito toonde aan dat Marx hier zijn kapitalismekritiek fundamenteel heroverweegt. Marx liet zijn op economische groei gerichte en techno-optimistische opvattingen over het communisme varen, terwijl hij de ecologische onhoudbaarheid van het industriële kapitalisme benadrukte. Als de kapitalistische productiewijze en zware industrie leiden tot de uitputting van natuurlijke hulpbronnen, vervuiling en de vernietiging van leefbare omgevingen, dan kan het communistisch project zich niet beperken tot de verovering van de productiemiddelen door de arbeidersklasse. Het productiesysteem zelf moet helemaal opnieuw worden ontworpen.

Marx in the Anthropocene brengt deze ideeën in een theoretische confrontatie met hedendaagse vormen van marxisme. Saito zelf leunt dicht aan tegen John Bellamy Fosters theorie uit de jaren 2000 over de stofwisselingsverstoringen (metabolic rifts) van het kapitalisme. Hij verdedigt die benadering tegen, onder meer, het post-humanisme zoals dat van Bruno Latour en Jason Moore, het marxistisch sociaal constructivisme van Neil Smith of Noel Castree, en het op technologische automatisering gebaseerde communisme van Aaron Bastani en Nick Srnicek. Toegegeven, Saito geeft de filosofieën van zijn intellectuele tegenstanders niet altijd eerlijk weer, maar zijn polemieken blinken uit in hun creatieve herinterpretatie van Marx’ complexe en moeilijk te doorgronden conceptuele experimenten. In wat volgt, zal ik me concentreren op Saito’s eigen standpunt.

Saito’s vertrekpunt is deel I en III van Das Kapital, waarin Marx zich zorgen maakt over de verstoringen in ‘de stofwisseling tussen mens en natuur’ (p. 25) veroorzaakt door het industriële, verstedelijkte kapitalisme en de grootschalige landbouw. Saito betoogt dat Marx’ zeldzame verwijzingen naar zulke stofwisselingsproblemen wijzen op een grotere verschuiving in Marx’ denken. Marx’ notitieboeken zouden laten zien dat het gebruik van een stofwisselingsvocabulaire deel uitmaakt van een grotere, ecologische kritiek op het kapitalisme.

Voor Marx is de natuur niet zomaar een passief medium voor menselijk handelen, maar een dynamisch ecosysteem, waarin verscheidene levende wezens en materiële stoffen in interactie met elkaar een rijk leefmilieu genereren. De mens is echter uniek in dit stofwisselingsnetwerk, aangezien deze bewust nadenkt over zijn interacties met de omgeving en via sociale processen vorm geeft aan deze uitwisselingen met de natuur. De menselijke samenleving coördineert immers bewust het arbeidsproces, het moment waarop menselijke activiteit en natuurlijke realiteit elkaar ontmoeten. Terwijl dieren hun interacties met de omgeving overlaten aan instinct, denkt de samenleving bewust na over hoe zij het best haar verlangens omzet in reële veranderingen. Dit coördinatieproces vereist voortdurende aanpassingen tussen het sociale metabolisme van menselijke samenlevingen en het natuurlijke metabolisme van de leefomgeving. De dynamieken van maatschappij en milieu moeten immers op elkaar worden afgestemd om stabiele vormen van leven te bevorderen.

Marx en de grenzen aan de groei 

Het kapitalisme faciliteert echter ‘stofwisselingsverstoringen’ (metabolic rifts). Kapitalistische waardecreatie onderwerpt levende wezens aan mechanismen die winst moeten produceren, maar zij negeert de onderliggende metabolische evenwichten van de natuur. Zij legt een keurslijf op aan mensen en de natuur dat niet noodzakelijk past bij hun stofwisseling. Zowel arbeiders als de natuur moeten het specifieke doel van winstmaximalisatie dienen, maar wat winst oplevert is niet altijd goed voor menselijk welzijn of de duurzaamheid van natuurlijke ecosystemen. Een interessant voorbeeld is Marx’ vermelding van de Jevons’ paradox. In The Coal Question (1865) prikte de Britse econoom William Stanley Jevons de illusie door dat energiezuinige technologie vervuiling uit kolenverbruik zou verminderen. Als technologische innovatie machines toelaat om minder kool te verbruiken dan zal de marktvraag naar kool dalen, maar daarmee daalt ook de prijs van kool op de internationale markten. In plaats van zuiniger met kolen om te springen, gaan fabrieken hierdoor meer produceren voor een lagere productieprijs. Duurzame technologie bespaart op energieverbruik per eenheid kolen, maar tegelijkertijd moedigt zij fabrieken aan om van die energiebesparing te profiteren door meer kolen te verbranden.

Volgens Saito leidt de ecologische kapitalismekritiek ertoe dat Marx na 1868 grenzen aan de groei erkent en zijn visie op het communisme verandert. In deze laatste jaren ‘werd Marx uiteindelijk een degrowth-communist’.

Het sociale metabolisme van het kapitalisme botst, met andere woorden, met het natuurlijk metabolisme van zijn omgeving. De gevolgen zijn bekend: vervuiling, klimaatverandering, verlies van biodiversiteit, enzovoort. Het kapitalisme maakt winst uit het verbruik van natuurlijke grondstoffen en menselijke arbeidskracht. Beperkingen op dit verbruik kunnen enkel van buitenaf komen, maar worden niet door het kapitalisme zelf gegenereerd. Het kapitaal brengt de natuur onder in een sociale vorm die de elasticiteit van die natuur tot het uiterste rekt… Totdat het elastiek knapt. De kapitalistische expansie van de economische productie ondermijnt zo haar eigen bestaansvoorwaarden. Saito’s versie van de metabolic rift theory laat zien hoe de natuur een dynamische en flexibele verzameling van handelende, levende wezens is, maar tegelijkertijd de mensheid kan confronteren met onoverkomelijke biofysische grenzen. De natuur is veranderlijk, maar niet oneindig vervormbaar in dienst van winstmaximalisatie.

Volgens Saito leidt deze ecologische kapitalismekritiek ertoe dat Marx na 1868 grenzen aan de groei erkent en zijn visie op het communisme verandert. In deze laatste jaren ‘werd Marx uiteindelijk een degrowth-communist’ (173). Saito is zich bewust van de controverse die een term als ‘degrowth-communisme’ oproept bij zowel de groene als rode fracties van de linkervleugel. Toch signaleert hij strategische overeenkomsten tussen beide bewegingen. De milieubeweging keert zich stilaan af van het ‘groene kapitalisme’. Ze staat steeds meer open voor revolutionair activisme, zoals het opblazen van pijpleidingen of het bezetten van verkeerscentra. Aan de andere kant hebben socialisten de Stachanovistische belofte van een proletarische arbeiderssamenleving grotendeels laten varen. Zij zijn kritischer geworden tegenover vage beloftes dat technologie onze sociale problemen kan oplossen. Antikapitalistische milieufilosofie en post-work-socialisme komen samen in degrowth-communisme.

Lessen van de landbouwcommunes 

In zijn notitieboeken en briefcorrespondentie van na 1868 geeft Marx veel aandacht aan natuurwetenschappelijke en etnologische studies over niet-westerse plattelandsgemeenschappen en hoe die hun economie organiseerden rond collectieve en op commons gebaseerde productie van niet-vermarkte gebruikswaarde. Deze gemeenschappen onderhielden economieën die misschien niet exponentieel groeiden, maar ook geen stofwisselingsverstoringen met de natuurlijke omgeving creëerden. Het waren relatief stabiele economieën zonder groei, met een collectief eigendom over de productiemiddelen. Vroeger zou Marx deze voorbeelden hebben afgedaan als geïsoleerde overblijfselen uit een primitief verleden, gedoemd om spoedig te verdwijnen binnen het mondiale kapitalisme. Deze Marx zou hebben betoogd dat pre-kapitalistische samenlevingen zich eerst moeten assimileren aan het kapitalisme en grondig moeten industrialiseren voordat zij de sprong naar het communisme kunnen wagen.

Marx in the Anthropocene biedt een originele en boeiende herformulering van Marx’ denken. Het boek toont niet alleen de relevantie aan van zelfs Marx’ meest obscure geschriften, maar gebruikt deze teksten ook om een ingrijpende kritiek op het kapitalisme te formuleren die milieufilosofische en socialistische ideeën verenigt.

De latere Marx onderschrijft daarentegen een multilineaire vorm van historisch materialisme. Hij legt niet een one size fits all-model van historische ontwikkeling op aan diverse samenlevingen. De algemene wetten van het kapitalisme staan altijd in wisselwerking met specifieke lokale omstandigheden. Zij genereren uiteenlopende historische trajecten. De weg naar het socialisme kan dus voor elke samenleving verschillen. Vooral in het geval van Rusland beschouwde Marx de agrarische communes van de narodniki als beloftevolle verzetshaarden tegen het kapitalisme. De narodniki waren een Russische politieke en intellectuele beweging uit de 19de eeuw die de belangen van het ‘gewone volk’ (narod) verdedigde tegen het tsarisme en opkomende kapitalisme. Het opbouwen van collectivistische communes op het platteland vormde deel van hun politiek. Marx prees de harmonisatie van sociale en natuurlijke stofwisselingsprocessen in die communes. Deze gemeenschappen bevorderden succesvol een afweging tussen economische en ecologische verwachtingen. Ze hadden een sociaal systeem gecreëerd dat in wisselwerking stond met de natuur, niet om de kapitaalaccumulatie te maximaliseren, maar om de collectieve behoeften van hun leden optimaal te bevredigen. Daarmee hadden ze economische ‘overvloed’ bereikt, niet door het productieapparaat technologisch te verbeteren of meer te produceren, maar door de behoeften van mensen en de vruchtbaarheid van de natuur met elkaar in overeenstemming te brengen door middel van een op commons gebaseerd landbouwregime. Als allen immers kunnen rekenen op de voldoening van hun materiële noden, leiden ze reeds een ‘overvloedig leven’, zij het misschien niet op een manier die wij doorgaans als ‘overvloedig’ zouden definiëren. 

Marx is geen romantische voorstander van een terugkeer naar een soort primitivistische landbouwsamenleving, maar hij speculeert over wat westerlingen kunnen leren van deze agrarische gemeenschappen. Hij stelt dat het westers communisme elementen uit de communesamenleving moet nabootsen om kapitalistische stofwisselingsverstoringen te overwinnen. Het kapitalisme onderwerpt alles aan een strikt meerwaardeproductieproces dat onophoudelijk de natuur uitput en de arbeidsbevolking uitbuit. Het alternatief focust op de productie van goederen voor rechtstreeks gebruik, die gemeenschappelijk worden beheerd zonder het milieu al te zeer te belasten. Deze voorbeelden wijzen op een toekomst waarin de duurzame, vrije en volledige ontwikkeling van het menselijk potentieel prioriteit krijgt boven winstmaximalisatie.

Geen degrowth-communistisch manifest

Marx in the Anthropocene biedt een originele en boeiende herformulering van Marx’ denken. Het boek toont niet alleen de relevantie aan van zelfs Marx’ meest obscure geschriften, maar gebruikt deze teksten ook om een ingrijpende kritiek op het kapitalisme te formuleren die milieufilosofische en socialistische ideeën verenigt. De belangrijkste prestatie van het boek is het vormen van een gemeenschappelijk kritisch kader voor beide bewegingen. Dat is geen gemakkelijk project, gezien de decennialange verhitte debatten tussen socialisten en degrowth-activisten. Maar om beide kampen tevreden te houden, blijft Saito’s uiteindelijke voorstelling van degrowth-communistische politiek wat op de oppervlakte. Het boek eindigt met een programma van politieke eisen, zoals een verschuiving van investeringen naar sectoren die gebruikswaarden in plaats van economische meerwaarde hebben (bijvoorbeeld onderwijs of gezondheidszorg), het verkorten van de werkdag, het versterken van de democratie op de werkplek en het inperken van technologieën die werkers de macht ontnemen om hun eigen arbeid te coördineren. Deze algemene beleidssuggesties zijn open genoeg om tegelijkertijd rode en groene gevoeligheden te respecteren, maar ook niet vreselijk specifiek. In deze programmatische vaagheid ligt mijn belangrijkste kritiek op Saito’s boek. Wie echt wil weten hoe een degrowth-communistisch politiek project eruitziet, wordt uiteindelijk teleurgesteld.

Het degrowth-communisme moet een economie zonder groei, gebaseerd op commons, aantrekkelijk maken voor verschillende bevolkingsgroepen. Als mensen degrowth moeten ervaren als een vorm van radicale overvloed in plaats van pijnlijke ascese, moeten ook hun verlangens veranderen, wat een blinde vlek is in Saito’s huidige betoog.

Saito’s analyse blinkt uit als diagnose van de objectieve contradicties van het kapitalisme en zijn verhouding tot het milieu. De beschrijving van hoe de algemene tendensen van het kapitalisme botsen met de behoeften van de natuur is indrukwekkend. Deze theorie van de objectieve contradicties van het kapitalisme in abstracto wordt echter niet gekoppeld aan een concrete, conjuncturele analyse van de huidige ecologische strijd. We krijgen een algemene verkenning van de logica van het kapitaal en de grenzen aan de groei, maar niet van de politieke machtsverhoudingen en de uiteenlopende politieke posities van het huidige moment, noch van hoe wij deze machtsverhoudingen moeten aanwenden om een betere toekomst te forceren. Zoals Saito zelf beweert, staan de algemene wetten van het kapitalisme in wisselwerking met specifieke lokale omstandigheden met uiteenlopende effecten. Het degrowth-communisme moet rekening houden met deze lokale variaties. Terwijl bijvoorbeeld het overwerkte ‘cognitariaat’ van het Mondiale Noorden een verkorting van de werkdag zou toejuichen, kunnen informele werkers in het Mondiale Zuiden alleen maar gissen over hoe hun werkdag überhaupt door de overheid gereguleerd zou kunnen worden. Terwijl inheemse bevolkingen zich verheugen over een politieke beweging die hun traditionele grondrechten en hun verzet tegen industrialisering respecteert, zal de arbeidersklasse van het Mondiale Noorden – die trouwens profiteert van de ecologische uitbuiting van het Zuiden – het degrowth-communisme hoogstwaarschijnlijk ervaren als een gedwongen beperking van haar mogelijkheden om in vervuilende auto’s te rijden, in het buitenland op vakantie te gaan of vlees te eten. Om degrowth-communisme als politieke strategie te laten werken, moeten deze uiteenlopende politieke standpunten en hun tegengestelde sociale eisen ideologisch op elkaar afgestemd worden.

Als politieke strategie kan het degrowth-communisme, met andere woorden, niet alleen vertrouwen op de objectieve logica van het kapitaal en zijn stofwisselingsverstoringen om ons automatisch naar een betere toekomst te leiden. Enkel de onhoudbaarheid van het kapitalisme garandeert nog niet dat er een beter alternatief in aantocht is. Het degrowth-communisme moet een economie zonder groei, gebaseerd op commons, aantrekkelijk maken voor zeer verschillende bevolkingsgroepen. Als mensen degrowth moeten ervaren als een vorm van radicale overvloed in plaats van pijnlijke ascese, moeten ook hun verlangens veranderen, wat een blinde vlek is in Saito’s huidige betoog. Waarom zouden mensen überhaupt een degrowth-communisme willen, los van de vaststelling dat dit misschien de enige optie wordt wanneer het klimaat en het milieu achteruit blijven gaan? Saito heeft deskundig laten zien wat er op het spel staat, maar het ideologische werk van een degrowth-communistisch manifest schrijven is nog onvoltooid.

Tim Christiaens is universitair docent filosofie aan de Universiteit Tilburg. Deze tekst is gebaseerd op een eerder in het Engels verschenen recensie op het blog Marx and Philosophy Review of Books.

Abonneer je voor €20 en krijg toegang tot alle artikelen of voor €30 en ontvang dit jaar twee nummers op papier