Search
Close this search box.

De Binnenlandse Veiligheidsdienst bespioneerde jarenlang illegaal advocaten en academici

Afluisteren, diefstal en volgoperaties: advocaat Pieter Herman Bakker Schut werd jarenlang door de Binnenlandse Veiligheidsdienst in de gaten gehouden. Bij zijn operaties trok de inlichtingendienst zich weinig aan van bestaande regels. ‘De BVD heeft hier willens en wetens de rechtsstaat verkracht.’
Beeld: Mr. Bakker Schut. Bron: Wikimedia Commons.

Jacobin #1 over ‘Zorgen’ is uit.
Abonneer je voor €30 en we sturen hem op.

Ausweis! Aufmachen! Op 11 februari 1976 omstreeks 10 uur ’s ochtends nadert een witte Simca de grenspost Bergh-autoweg bij Zevenaar. Achter het stuur zit de Utrechtse advocaat en universitair docent Pieter Herman Bakker Schut, naast hem zijn student-assistent Gerard Mols. Samen zijn ze op weg naar cliënten van Bakker Schut in de Bondsrepubliek Duitsland. De grenswachten van de Bundesgrenzschutzstelle leiden de auto echter naar de kant, trekken hun pistolen en manen beide mannen uit te stappen. ‘Ze riepen: “handen omhoog”’, herinnert Mols zich bijna 50 jaar na dato nog.

‘Wij moesten allebei meelopen en werden in een aparte cel opgesloten. Ik werd aangezien voor een gezochte anarchist en moest mij tot op mijn onderbroek uitkleden, waarbij ik ook werd gevisiteerd.’ Terwijl zijn kleren worden doorzocht, wordt Mols onder schot gehouden met machinegeweren. ‘Pure intimidatie’, noemt hij het voorval bijna 50 jaar later aan zijn keukentafel in een voormalige boerderij op het Brabantse platteland.

Tijdens de controle wordt het de grenspolitie duidelijk dat ze Mols verwarren met iemand anders, waarna de twee Nederlanders worden vrijgelaten uit hun cel. Een van de douaniers keert in aanwezigheid van Bakker Schut en Mols de auto binnenstebuiten, waarbij hij de vertrouwelijke post van Bakker Schut las. ‘De advocaat protesteerde, maar kreeg als antwoord: “U bevindt zich op Duitse bodem en bovendien zijn dit geen stukken die de verdediging betreffen”’, aldus de Volkskrant daags na het incident.

Consternatie in Nederland, want een advocaat aan dergelijke surveillancepraktijken onderwerpen, dat zijn wel erg Duitse methoden. Joop Voogd en Hein Roethof, Kamerleden namens de Partij van de Arbeid, vragen minister Max van der Stoel van Buitenlandse Zaken om opheldering. Waarom staat een Nederlandse advocaat in de Bondsrepubliek gesignaleerd?

Enkele weken later sust Van der Stoel de ontstane ophef. ‘Blijkens ter zake bij de Westduitse autoriteiten ingewonnen informaties berust het gebeurde op een betreurenswaardig misverstand’, laat de minister aan de Tweede Kamer weten. De verwisseling van bijrijder Mols met een voorvluchtige anarchist was voor de douaniers de aanleiding voor de controle. Op de vraag of Bakker Schut in de Bondsrepubliek gesignaleerd staat, gaat Van der Stoel niet in.

Uit het dossier dat de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) over Bakker Schut bijhield blijkt dat hij wel degelijk op een West-Duitse signaleringslijst stond. Op 13 februari, twee dagen na het incident, schreef een medewerker van de dienst aan het hoofd van de BVD:

Tijdens een gehouden controle van de grensdocumenten […] bleek dat mr. P.H. Bakker Schut als volgt stond gesignaleerd: […] Aandachtsvestiging in verband met verdachte ondersteuning van politiek gemotiveerde anarchisten/gewelddaders. Vaststelling van de identiteit van begeleidende personen, bij inreis in Nedersachsen onmiddellijk telefonisch berichten LKPA [Landeskriminalpolizeiamt, red.] te Hannover.

De vraag is: was Van der Stoel hiervan op de hoogte? De BVD moet, in lijn met de wet, ‘gegevens die […] van belang kunnen zijn’ zo spoedig mogelijk delen met relevante ministers. En de minister moet de Kamer volledig en correct informeren. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken laat echter in reactie op vragen weten dat ze ‘geen documenten rond dit voorval hebben kunnen traceren.’

In november 2022 zijn ruim 70.000 persoonsdossiers die de BVD (de voorganger van de AIVD, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst) heeft aangelegd in de periode 1948-1998 overgedragen aan het Nationaal Archief. Ze bieden een unieke mogelijkheid om de inlichtingendienst, die normaal in de schaduw opereert, te onderzoeken. Hoe werkte ze? Op wie richtte ze zich? En hield de dienst zich aan de regels waaraan ze was gebonden? Dat de BVD tijdens de Koude Oorlog een bovenmatige interesse had in alles dat riekte naar emancipatoire politiek is al enige jaren bekend, maar hoe ver die interesse precies ging was tot op heden in nevelen gehuld.

Bakker Schut bij Rechtbank Den Bosch voor het proces tegen zijn cliënt Lucien van Hoesel, 1973.

Om meer inzicht in de modus operandi van de BVD te krijgen, dook Jacobin Nederland in één persoonsdossier: dat van Pieter Herman Bakker Schut (1941-2007), jarenlang een van de bekendste strafpleiters van Nederland. Bakker Schut was een van de voorlopers van de politieke advocatuur en verdedigde decennialang linkse actievoerders van verschillend pluimage: van Maagdenhuisbezetters tot aan de leden van de Rote Armee Fraktion (RAF).

Hij was uitgesproken progressief en ging door het vuur om de belangen van zijn cliënten te verdedigen. Naast advocaat was Bakker Schut ook vijftien jaar lang medewerker van het Criminologisch Instituut van de Universiteit Utrecht (in 1974 omgedoopt in het Willem Pompe Instituut) – hij gaf colleges en deed wetenschappelijk onderzoek.

Zijn visie was dat de rechtsstaat moest dienen als een schild voor burgers tegen een machtige overheid – de Tweede Wereldoorlog lag immers nog vers in het geheugen. Een rechtsstaat bestaat niet voor bij mooi weer, maar moet fier overeind staan als het dondert en stormt. Advocaten hebben, met hun vertrouwelijke en geheime relatie met hun cliënten, een cruciale positie in het rechtssysteem. In Bakker Schuts geest kan zijn dossier als een lakmoesproef gebruikt worden: in hoeverre hield de Binnenlandse Veiligheidsdienst zich aan de regels van de rechtsstaat tijdens zijn gesnuffel bij linkse lieden?

In het Koninklijk Besluit van 1972 was de opdracht van de Binnenlandse Veiligheidsdienst helder omschreven. Ze heeft tot taak:

[…] het inwinnen van gegevens omtrent organisaties, groeperingen en personen ten aanzien waarvan, gezien hun doelstellingen of feitelijke werkzaamheden, ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde in de Staat of dat van hen schade te duchten is voor de veiligheid of andere gewichtige belangen van de Staat.

Maar was de advocaat en wetenschapper Bakker Schut wel een gevaar voor de democratische rechtsorde? Of kwam het gevaar uit een andere hoek?

Voor dit onderzoek nam Jacobin het gehele dossier van Bakker Schut onder de loep: het is acht mappen dik, in totaal meer dan 1000 pagina’s en beslaat twintig jaar. Documenten die derden betreffen, maar waarin Bakker Schut ook voorkomt, belandden ook in zijn dossier; zo ontstaat een bredere blik op de informatiehonger van de BVD. Dit materiaal is gecontextualiseerd met behulp van literatuur over de jaren zeventig, waarbij bijzondere aandacht uitging naar de geschiedenis van linkse gewapende groepen.

Daarnaast interviewden we nabestaanden, vrienden en collega’s van Bakker Schut en legden we passages uit het dossier aan hen voor. Naast het feit dat zij ooggetuigen van veel van de hier beschreven gebeurtenissen zijn, behoort een aantal van hen tot de fine fleur van juridisch Nederland: enkelen werden gerenommeerde advocaten, anderen schopten het tot hoogleraar, vicepresident van de Amsterdamse rechtbank of tot rector magnificus. Tot slot vroegen we experts op het gebied van advocatuur, mensenrechten en privacy wat zij vinden van het dossier-Bakker Schut.

Op de plek waar hij zijn advocatenpraktijk voerde, ronselde de BVD een agent die de poststukken van Bakker Schut kopieerde, zijn gesprekken afluisterde en zijn afval doorzocht.

Uit het twintig centimeter dikke dossier blijkt dat grondrechten jarenlang, systematisch en op ernstige wijze door de BVD zijn geschonden. Bakker Schut werd jarenlang bij zijn werkzaamheden als advocaat geobserveerd, zelfs tijdens zijn vertrouwelijke contact met cliënten. Telefoongesprekken werden afgetapt en verslagen van vertrouwelijk overleg met confrères eindigden bij de BVD op het bureau. Zowel zijn huis als zijn kantoor in het Willem Pompe Instituut werden meermaals onder observatie geplaatst.

De BVD wroette in zijn privéleven, waarbij de agenten opmerkingen noteerden over onder meer seksuele geaardheid en gezondheid. Als Bakker Schut de grens overging, werd dit bijgehouden en gedeeld met buitenlandse inlichtingendiensten. Informanten rapporteerden over de inhoud van zijn colleges, tot de tekst van de syllabi aan toe. Naar aanleiding van zijn optreden als advocaat werd zijn gehele familie doorgelicht. Jarenlang stelde de dienst verslagen op over hem en zijn collega’s bij het Willem Pompe Instituut. In het kader van een samenwerkingsverband van West-Europese inlichtingendiensten werd hij in een ‘album of terrorists’ geplaatst.

Op de plek waar hij zijn advocatenpraktijk voerde, ronselde de BVD een agent die de poststukken van Bakker Schut kopieerde, zijn gesprekken afluisterde en zijn afval doorzocht. Uit een memo in het dossier blijkt dat de inlichtingendienst wist dat het kopiëren van zijn documenten in strijd was met de regels uit het eerdergenoemde Koninklijk Besluit, maar zij liet zich daardoor niet belemmeren om door te gaan met deze illegale praktijk.

Tot slot maakt het dossier-Bakker Schut duidelijk dat hij niet de enige advocaat was bij wie de BVD lak had aan de regels van de rechtsstaat. Mensenrechtenexperts en juristen oordelen vernietigend over het optreden van de inlichtingendienst: ‘Dit zijn methoden van een politiestaat.’

Academische vrijheid onder vuur

‘Pieter Herman en ik begonnen in 1971 aan het Criminologisch Instituut’, denkt Ties Prakken in haar woonkamer terug aan haar loopbaan aan de Universiteit Utrecht. Gedurende haar hele carrière blijft de inmiddels 86-jarige Prakken actief in wetenschap en advocatuur, zo was ze van 1998 tot 2004 hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan de Universiteit Maastricht.

Zij en Bakker Schut kenden elkaar uit de Amsterdamse advocatenwereld: Prakken had de Maagdenhuisbezetters van 1969 bijgestaan, wat Bakker Schut niet mocht van zijn werkgever. Hij werkte, na een rechtenstudie aan de Universiteit Leiden (met het daarbij veel voorkomende lidmaatschap van het Leids Studenten Corps), bij advocatenkantoor Blaisse in de hoofdstad. Bij het chique Blaisse moest men niets hebben van zijn sympathie voor langharige oproerkraaiers, waarna Bakker Schut ontslag nam.

Hij en Prakken werden enkele jaren later door de toenmalige hoogleraar strafrecht, strafprocesrecht en criminologie Toon Peters naar de Domstad gehaald. ‘Wij waren naar Utrecht gehaald om te compenseren wat hem ontbrak aan praktijkervaring’, vertelde Bakker Schut in 2007 aan Hans Smits voor zijn boek Strafrecht en hemelbestormers. Opkomst en teloorgang van de Coornhert-Liga.

Professor Peters wilde juist deze jonge advocaten als docenten, zij hadden immers inzicht in de meer politieke kant van het strafrecht. ‘Daarom mochten Pieter Herman en ik ook onze praktijk op Koningslaan 10 vestigen’, licht Prakken toe. Ze wist toen nog niet dat de BVD later zou profiteren van het feit dat zij en Bakker Schut kantoor hielden in een makkelijk toegankelijk gebouw van de Universiteit Utrecht.

Het Criminologisch Instituut was een bolwerk van de in 1971 opgerichte Coornhert-Liga, een vereniging die zich inzette voor strafrechthervorming. Minder repressie en wraak was het devies; er moest meer aandacht komen voor de rechten van verdachten en gevangenen. ‘Peters hield ons voor dat straffen op zichzelf geen bijzondere gebeurtenis is, maar dat de jurist vooral moet letten op de wijze waarop het strafproces plaatsvindt’, aldus Bakker Schut in Strafrecht en hemelbestormers. ‘Dat er behalve wetboeken ook mensenrechten zijn, dat de universele rechten van de mens strikt in acht genomen moeten worden. En dat was iets heel anders dan wat de gouvernementeel ingestelde strafrechtsjuristen [sic] in die tijd voor ogen hadden.’

In tegenstelling tot de strafrechtjuristen vonden de medewerkers van de BVD de nieuwe ideeën over de toepassing van mensenrechten in straf(proces)recht en opsporing vooral verdacht. Het wantrouwen bij de dienst nam verder toe na de gijzeling van diplomatiek personeel in de Franse ambassade in Den Haag in september 1974. Drie leden van het Japanse Rode Leger eisten onder meer dat een kameraad uit de Franse gevangenis werd vrijgelaten. De gijzeling liep met een sisser af: de wensen van de gijzelnemers werden grotendeels ingewilligd en er vielen geen doden.

De BVD wilde echter meer weten over die excentrieke en pacifistische hoogleraar Peters, die in verschillende media had opgeroepen tot rust en nuance over de gijzeling. Daarbij had hij ook nog een Japanse echtgenote, wat hem in de ogen van de dienst nog extra verdacht maakte. Wist deze man meer over de gijzeling? Hadden hij of zijn vrouw misschien contacten met Japanners? Een BVD’er zoekt contact met ‘een beslist betrouwbaar geacht persoon uit de naaste omgeving van deze familie’, legt aan de informant uit wat de bedoeling van het gesprek was, alvorens ‘van de zijde van deze persoon alle medewerking [werd] toegezegd.’

De BVD werd gerustgesteld: Peters was een principiële pacifist die ‘sowieso tegen élke vorm van geweld [is], want geweld is in zijn ogen, zoals gezegd, een gebrek aan beschaving.’ Zijn echtgenote ‘is een aardig vrouwtje die [sic], zover bekend, helemaal de inzichten van haar man deelt.’ Boek gesloten – zou je denken. Daar dacht de inlichtingendienst echter anders over. Want wat doen die strafrechthervormers nou allemaal op dat Willem Pompe Instituut?

‘De invloed van Bakker Schut in het gehele Willem Pompe Instituut is vele malen groter dan zijn wetenschappelijke rang zou doen vermoeden’, schrijft de BVD op 11 november 1974. Het onderzoek naar Peters is voor de dienst een van de aanleidingen om een ‘globaal’ rapport van zeven pagina’s op te stellen over de rol van de jonge medewerker. Vooral zijn kritische houding valt de rapporteur op:

Bakker Schut […] is, hoewel lid van de PvdA zijnde, politiek zeer links gericht, doch dit verklaart NIET zijn extreme opstelling op het terrein van het strafrecht en zijn toepassing. Hij is op een bijzondere wijze tegen gezag, althans tegen dát gezag wat nu van overheidswege wordt toegepast.

De BVD portretteert Bakker Schut als ‘de kwade genius’ van het instituut, met Ties Prakken als trouwe metgezel, ‘no 1 en no 2’ van de afdeling, waarbij Bakker Schut ‘gewetenlozer’ is. Voor Ties Prakken komt dit verslag niet uit de lucht vallen. ‘Het bevestigt het idee dat we toen al hadden. We vermoedden ontzettend dat we in de gaten werden gehouden door de BVD, daar waren we toen al bang voor en ons gevoel klopte dus.’

En dit is slechts één van de BVD-verslagen over de rol van Bakker Schut op het Willem Pompe Instituut. In oktober 1975 schrijft de BVD een verslag van negen pagina’s (met 45 bladzijden aan bijlagen) over de inhoud van zijn colleges en het verloop van de werkgroepen, de voorgeschreven literatuur, welke studenten goed bij hem liggen en aan wie hij zich ergert, tot aan roddel over mogelijke lievelingetjes. Bakker Schut zou binnen het instituut een ‘heilige plaats’ innemen, ‘discipelen’ hebben onder de medewerkers en erin ‘behagen scheppen om meisjes/vrouwen het hoofd op hol te jagen.’

Zelfs de antwoorden op de zaalvragen van de werkgroep van 30 september 1975 werden in het dossier genoteerd. Als Frederik Zuiderveen Borgesius hoort dat er bij Bakker Schut informanten in de collegezaal zaten, schudt hij zijn hoofd. De hoogleraar ICT en Recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen en expert op het gebied van informatierecht en privacy kan het zich moeilijk voorstellen dat dit in Nederland is gebeurd. ‘Van het idee alleen al dat de inlichtingendienst tijdens je colleges meeschrijft, kan natuurlijk een chilling effect uitgaan’, legt hij uit.

Henk Kummeling, de huidige rector magnificus van de Universiteit Utrecht, laat in een reactie weten dat academische vrijheid behelst ‘dat wetenschappers naar eigen inzicht hun onderzoeksthema’s en onderwijs bepalen en er ruimte is om alle standpunten uit te dragen.’

In specifieke gevallen kan het ‘legitiem’ zijn dat wetenschappers onderwerp van [onderzoek van] inlichtingendiensten zijn, vindt hij. ‘We hebben mechanismes in de samenleving die moeten controleren of daarbij zorgvuldig wordt gehandeld’, waaronder de Tweede Kamer via de commissie Stiekem, aldus Kummeling. Deze commissie – officieel bekend als de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten – heeft als taak om vanuit het parlement de inlichtingendiensten te controleren. Ten aanzien van de hier besproken casus vindt Kummeling het ‘lastig te beoordelen’ of er ‘zorgvuldig is gewogen en gehandeld.’ Op de vraag of de commissie Stiekem was ingelicht geeft de AIVD geen antwoord.

Sjors- en Sjimmieclub

Een van de aanwezigen bij het college van 30 september 1975 is Cornelis F. Korvinus (1950). ‘Korvinus is student-assistent aan het Criminologisch Instituut en één der vertrouwelingen van Bakker Schut’, staat in de BVD-memo. ‘Aangenomen mag dus worden, dat Korvinus in ideologisch opzicht aan de zijde van Bakker Schut staat.’

Als deze notie wordt voorgelegd aan Cees Korvinus moet hij hartelijk lachen. We spreken elkaar in zijn advocatenpraktijk, om de hoek van de Westerkerk in Amsterdam. ‘Ik heb de BVD altijd een kneuzenclub gevonden, een stelletje amateurs. Wat deden die mensen nou eigenlijk? Op basis van vooronderstellingen en het gesundes Volksempfinden dingen verdacht vinden en mensen gaan volgen, waarbij de facto helemaal geen staatsgevaarlijke activiteiten aan de orde waren.’

De bekende strafpleiter en latere VARA-voorzitter studeerde van 1970 tot 1977 aan het Willem Pompe Instituut en ontwikkelde daar een grote interesse in de processen tegen de leden van de Rote Armee Fraktion. ‘Wat daar in Duitsland gebeurde volgde ik als student zeer intensief, zowel vanuit de optiek van de verdediging in strafzaken en hoe gevangenen behandeld werden, als ook hoe advocaten het werk onmogelijk werd gemaakt.’

Zo werd in 1975 de Lex RAF van kracht, waardoor advocaten konden worden uitgesloten van het proces, enkel op basis van verdenkingen van ondersteuning van een criminele organisatie. Door deze ‘Duitse toestanden’ groeide in Nederland de angst voor de repressie in de Bondsrepubliek. ‘Ik ging ook regelmatig naar de Stammheimprocessen toe, leerde daar de advocaten van de RAF-leden kennen, bijvoorbeeld Klaus Croissant en Otto Schily, de latere minister van Binnenlandse Zaken.’ Korvinus’ bezoeken aan West-Duitsland bleven ook voor de BVD geen geheim. Zijn grenspassages worden genoteerd en ook zijn aanwezigheid bij het proces tegen RAF-lid Ronald Augustin eindigt in zijn dossier.

Ook aan de Duitse politie gingen de bezoeken niet onopgemerkt voorbij. ‘We zijn nog een keer aangehouden toen ik met Croissant in een auto zat. De politie had uzi’s, we moesten eruit komen, handen omhoog en ze vervolgens op het autodak leggen. Ze zeiden: “rustig aan en geen verkeerde beweging maken.” Er was natuurlijk niets aan de hand, maar intimidatie was het wel.’ Ook de BVD was van deze aanvaring met de Duitse politie op de hoogte. In een informantenverslag over Korvinus wordt voorgaande anekdote uit zijn mond opgetekend. Hoe kwam deze persoon aan de informatie?

Informant vertelde Korvinus en zijn vrouw […] ongeveer twee jaar te kennen. Deze relatie is ontstaan doordat de vrouw van informant en de vrouw van Korvinus beide volleybal spelen in hetzelfde team van San Rival/Utrecht VC.

Korvinus wuift het gewroet in zijn privéleven weg. ‘Ik ben nooit geïnteresseerd geweest in wat ze over mij in een BVD-dossier zouden opschrijven. Zoek het uit met je Sjors en Sjimmie-clubs’, zegt hij lachend.‘ Zolang ik maar het gevoel heb dat ze mij niet in de weg zitten.’ Op een serieuzere noot vervolgt hij: ‘Daarbij, ik ben gewoon advocaat. Als ik ooit merk dat ze zich daarmee zijn gaan bemoeien, dan hebben ze een probleem – laat ik het zo zeggen.’

Korvinus zal erachter komen dat de ogen en oren van de BVD niet stopten bij de deur van zijn praktijkkamer.

Betrokkenheid bij de Duitse ‘Szene

In café De Verdraagzaamheid aan de Waalkade in Zaltbommel haalt Rudie van Meurs herinneringen op aan Bakker Schut. ‘Pieter Herman heb ik leren kennen tijdens het proces tegen Luciën van Hoesel in 1973.’ Van Hoesel was lid van de Rode Jeugd en stond terecht voor verboden wapenbezit. Omdat Bakker Schut vermoedde dat de BVD een rol had gespeeld in zijn arrestatie wilde hij Andries Kuipers, het hoofd van de dienst, als getuige horen in de rechtszaal.

Een unicum, aldus Van Meurs. Sindsdien bleef de Vrij Nederland-journalist, een van de grondleggers van onderzoeksjournalistiek in Nederland, bevriend met de strafpleiter. Hij zal later bekend worden als een onderzoeker die zich vastbijt in het doen en laten van de BVD; zijn inspanningen resulteerden onder meer in de publicatie van het boek De BVD: Samenzweren tegen ambtenaren, studenten, journalisten, dominees, en andere democraten (1978). In 1983 onthulde hij in Vrij Nederland dat de BVD in 1980 een observatiepost probeerde in te richten bij de buren van Bakker Schut in zijn woonplaats Loenen aan de Vecht:

De methodes van het BKA [Bundeskriminalamt, red.] blijken nu ook naar Nederland geëxporteerd. Daar tracht de BVD een Nederlandse advocaat te bespioneren en af te luisteren.

Documenten over deze observatiepost ontbreken in het dossier van Bakker Schut, waardoor het vermoeden bestaat dat het onvolledig is. Op de vraag of het dossier compleet is laat de AIVD weten dat ze ‘alles heeft overgedragen aan het Nationaal Archief.’

Na de zaak-Van Hoesel kwam Bakker Schut in contact met de Duitser Axel Achterath en de Nederlander Ronald Augustin, die in Duitsland terecht stonden voor onder meer lidmaatschap van een criminele organisatie. ‘Pieter Herman en ik kenden elkaar al voordat hij de zaak van Achterath van mij overnam’ vertelt Willem van Bennekom in zijn woonkamer in de Amsterdamse grachtengordel. Hij was toendertijd advocaat en is later opgeklommen tot vicepresident van de Amsterdamse rechtbank.

Met de verdediging van Achterath en Augustin begon volgens Van Bennekom Bakker Schuts betrokkenheid bij de Duitse links-radicale Szene. Ronald Augustin was het enige Nederlandse lid van de RAF. Hij was op 24 juli 1973 in de internationale trein naar Hamburg gearresteerd omdat hij een pistool bij zich had. Zijn gevangenisregime was zwaar: hij zat in isolatie en toen hij meedeed aan een collectieve hongerstaking van RAF-gevangenen kreeg hij dwangvoeding toegediend. Bijna een jaar na zijn arrestatie vroeg de familie van Augustin in Nederland door middel van persconferenties en publieksacties aandacht voor zijn situatie. Op aanraden van Augustin zocht zijn familie contact met Bakker Schut, die daarmee in de zomer van 1974 een tweede ‘Duitse’ cliënt kreeg.

Ook de BVD is ervan op de hoogte dat Bakker Schut RAF-leden Achterath en Augustin verdedigt. En meer. Op 10 oktober 1974 schrijft de dienst:

Uit betrouwbare bron werd vernomen dat mr. Bakker Schut bezoek heeft gehad van een vertegenwoordiger van het advocatenkantoor Grönewold uit Hamburg i.v.m. de processen tegen Achterath, Blenck en Augustin. Bakker Schut krijgt binnenkort nadere informatie en een machtiging. Hij zal dan toestemming van het Hof in Duitsland vragen om als advocaat op te treden.

Even verderop meldt de BVD ook wat Bakker Schut en Grönewold gaan eisen bij het Hof in Karlsruhe. Dat de BVD hiervan kennis heeft vergaard gaat ver buiten wat ze behoort te doen’, vindt Van Bennekom. ‘Het was natuurlijk bekend wat er in Duitsland gaande was en de BVD was erop gericht om Duitse toestanden te voorkomen, maar daarbij moet ze wel de grenzen van de wet in het oog houden. Dit gaat veel te ver: het bijstaan van een cliënt heeft immers niets te maken met de staatsveiligheid.’

Bakker Schut bij aankomst Rechtbank Utrecht voor het proces tegen zijn cliënt
RAF-lid Kurt Folkerts, 6 december 1977

Marq Wijngaarden is partner bij advocatenkantoor Prakken d’Oliveira Human Rights Lawyers. Hij zette eind jaren tachtig zijn eerste voetstappen in het vak bij kantoor Nieuwezijds te Amsterdam, het toenmalige kantoor van Bakker Schut. Ook hij oordeelt streng over deze memo: ‘Dit is gewoon vertrouwelijke informatie tussen twee advocaten, dat hoort zeker niet in een BVD-dossier thuis. Het gaat best ver om advocaten af te luisteren, vooral als ze over de verdediging van cliënten spreken. En wat is hier het staatsveiligheidsbelang? Dat is er niet.’

‘Dit is vertrouwelijke informatie lijkt me. Pieter Herman is bezig om met een collega-advocaat een processtrategie voor verdachten te ontwikkelen. Dit lijkt mij gewoon vallen onder de geheimhouding van de raadsman’, aldus ook Gerard Mols in zijn woonkamer. Met hem gaan we door stukken van het dossier-Bakker Schut, waarin hij ook veelvuldig voorkomt. De voormalig student-assistent van Bakker Schut heeft, sinds hij door de Duitse grenspolitie werd gedwongen zich tot zijn onderbroek uit te kleden, een indrukwekkende carrière achter de rug. Hij promoveerde in 1982 aan de Universiteit Utrecht, werd in 1989 hoogleraar straf-(proces)recht aan de Universiteit Maastricht en was van 2004 tot 2012 rector magnificus van die universiteit.

Hoe de BVD aan de vertrouwelijke informatie komt is onduidelijk, maar dat de dienst daarmee de regels overtrad is voor Mols glashelder. Vooral als blijkt dat de veiligheidsdienst ook beschikt over de inhoud van communicatie tussen Bakker Schut en de gevangene Augustin. ‘Uit betrouwbare bron werd vernomen dat Bakker Schut dokumentatie-materiaal [sic] aan […] Ronald Augustin toespeelt,’ schrijft de BVD in maart 1976. Het gaat hier om artikelen van een medewerker van het NOS-journaal. Twee weken ervoor schrijft de BVD een memo met dezelfde strekking, waarbij ze specifiek vermeldt dat ‘bovenstaande bericht […] niet voor justitiële doeleinden gebruikt [kan] worden.’

Waarom mag justitie niet weten wat de veiligheidsdienst wel weet?

‘Ik denk dat ze daarmee bedoelen dat het vooral onder de pet gehouden moet worden, omdat Pieter Herman hier anders stampij over zou maken’, zegt Mols. ‘Er wordt inbreuk gemaakt op de vertrouwelijkheid tussen raadsman en cliënt.’ Onafhankelijk van elkaar geven Ties Prakken en Cees Korvinus hetzelfde antwoord: justitie mag niet weten dat de BVD op illegale wijze het vertrouwelijke verkeer tussen advocaat en cliënt leest. Waarom? De kans bestaat dat het in een strafdossier komt, waarmee naar buiten zou komen dat de vertrouwelijke post wordt gelezen, aldus de juristen.

Achtervolgen van advocaten

Om aandacht te vragen voor de detentie van en rechtszaken tegen Augustin en andere leden van de Rote Armee Fraktion richtte Bakker Schut samen met een aantal gelijkgestemden in februari 1975 het Medisch-Juridisch comité politieke gevangenen (MJCPG) op. Ze vragen aandacht voor en voeren actie tegen de toename van ‘restrictieve maatregelen’ die worden toegepast op mensen die zich vanuit politieke overtuiging inzetten ‘voor de strijd tegen onderdrukking en imperialisme in eigen land of elders’, zoals ze schrijven in hun pamflet Recht voor de RAF.

Dit comité wordt ook door de BVD nauwlettend in de gaten gehouden. Op 3 oktober 1975 werd in Hotel Krasnapolsky te Amsterdam een manifestatie met de titel ‘Rechtsstaat en staatsterreur’ georganiseerd. Veel linkse boegbeelden stonden op het podium: PSP-Kamerlid Fred van der Spek, de PvdA-filosoof Lolle Nauta, PvdA-senator Wilhelm Kweksilber en natuurlijk ook Bakker Schut.

Ook Sybille Haag, de vrouw van de voortvluchtige RAF-advocaat Siegfried Haag, was aanwezig. Dit komt voor de BVD niet als een verrassing, want Haag heeft dit telefonisch aan de partner van Bakker Schut laten weten. ‘Uit kwetsbare bron werd vernomen dat mevr. Haag op 30.9.1975 zich telefonisch in verbinding stelde met de privé-woning van mr. Bakker Schut te Loenen a.d. Vecht.’ Zij kondigt aan dat ze ‘a.s. weekend naar “Krasnapolsky” in Amsterdam zou reizen met haar zoontje Felix.’ De Criminele Recherche Informatiedienst, onderdeel van de politie, was hiervan op de hoogte gesteld door haar Duitse collega’s, waarna zij ook de BVD heeft ingelicht.

Vanaf het moment dat Sybille Haag op 3 oktober het land binnenrijdt, wordt ze op de minuut gevolgd en niet meer uit het oog verloren, totdat ze op 7 oktober weer de grens met de Bondsrepubliek oversteekt. De BVD surveilleert continu bij het huis van Bakker Schut, waar Haag met haar zoon logeert. Medewerkers van de dienst noteren de kentekenplaten van de geparkeerde auto’s en voegen de bijbehorende persoonsgegevens toe aan persoonsdossiers. Gaan ze uit eten bij een Chinees restaurant in de Rijnstraat in Amsterdam? De volgploeg post voor de deur, op de uitkijk waar ze vervolgens naartoe gaan.

Ook Oud en Nieuw in 1975-1976 brengen Sybille Haag en haar zoon in Loenen aan de Vecht door. De volgploeg verliest haar niet uit het oog, ook niet als ze met Bakker Schut op pad is. Iedere winkel die Haag ingaat wordt genoteerd, zelfs haar bezoek aan het Rijksmuseum blijft niet onopgemerkt. Tijdens een winterse uitwaaiwandeling op het strand van Katwijk aan Zee loopt de BVD mee. Op de Noordzeeboulevard gaan ze eten in restaurant De Zwaan. ‘Zij en de kinderen eten o.a. patat’, staat in het volgverslag. Zelfs de liflaf-gesprekken met de ober worden genoteerd. Het gehele observatieverslag wordt gedeeld met ‘Hopman’, de codenaam voor de Duitse inlichtingendienst. Ook in een vertrouwelijk bericht aan het Bundesamt für Verfassungsschutz staat dat de informatie ‘niet voor justitiële doeleinden gebruikt [kan] worden.’

Die advocaten hebben gewoon overleg over de te volgen strategie! Maar bij de BVD ging men ervan uit, gevolgd door de Duitse inlichtingendienst, dat advocaten inderdaad een verlengstuk waren van een terroristische organisatie.

Het is niet de enige volgactie die de BVD uitvoert. Op 24 en 25 mei 1976 bezoeken de West-Duitse advocaten Ulrich Preuß en Kurt Groenewold Nederland. De laatste werkte eerder samen met Bakker Schut bij de verdediging van Ronald Augustin en had sinds 12 juni 1975 een beroepsverbod in de Bondsrepubliek vanwege het juridisch bijstaan van RAF-verdachten. Het bezoek van Preuß en Grönewold was voor de BVD aanleiding om een volgactie op te zetten om minutieus bij te houden wat ze gingen doen. Op de minuut af noteert de BVD wat deze advocaten in Nederland doen. Op 24 mei bezoeken ze ’s avonds het Willem Pompe Instituut, waarbij allen die het pand in- en uitlopen worden genoteerd. Kentekens van aanwezigen worden genoteerd en later aangevuld in BVD-dossiers.

De volgende dag gaan Grönewold en Preuß naar Den Haag voor een ontmoeting met eerdergenoemde Kweksilber, de PvdA-politicus die zich inzet voor linkse Duitsers met een beroepsverbod. Geen detail wordt overgeslagen in het observatieverslag. Een bezoek aan de V&D in Den Haag? ‘Hier kopen zij een paar kinderschoenen […].’ In Amsterdam wordt ook gewinkeld (‘Zij gaan o.a. P. en C., Lampe en een boetiek voor dameskleding genaamd “Tarzan” binnen’) en brengen ze een bezoek aan boekhandel Van Gennep in de Nes en aan het Transnational Institute aan de Paulus Potterstraat, alvorens Grönewold en Preuß
’s avonds om 23.30 de grens met West-Duitsland passeren.

Wijngaarden van advocatenkantoor Prakken d’Oliveira vindt deze volgoperatie van de twee Duitse advocaten ‘extreem ver’ gaan. ‘Dit geeft goed aan hoe weinig de BVD gewend was om met linkse mensen om te gaan en hoe totaal paranoïde ze ermee omgingen.’ Hij maakt daarbij wel de kanttekening dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen wat een advocaat in de uitoefening van zijn beroep doet en wat hij als privépersoon doet. ‘Bij dat laatste is er geen sprake van verschoningsrecht.’

Het verschoningsrecht is een van de fundamenten van de positie van de advocatuur in een rechtsstaat: de communicatie tussen cliënt en advocaat is vertrouwelijk en beiden mogen ervan uitgaan dat anderen niet meeluisteren of -lezen. Als hieraan gemorreld wordt, kan het recht op een eerlijk proces onmogelijk gegarandeerd worden. ‘Het is afschuwelijk, maar ik ben er niet verbaasd over,’ zegt Diana de Wolff. Zij was van 2017 tot 2022 bijzonder hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Dat advocaten op deze wijze werden gevolgd is eigenlijk ondenkbaar, maar het gebeurde wel.’

De Wolff wijst erop dat ook de reisbewegingen van advocaten vertrouwelijk zijn als deze plaatsvinden in het kader van werkbezoek en dat de inlichtingendienst dat niet in de gaten mag houden. ‘De geheimhoudingsplicht en dat verschoningsrecht houden ook in dat jij op een bepaald moment ergens een afspraak hebt met je cliënt of met een derde in de behandeling van een zaak.’

‘Het is bizar, ik vind het echt bizar. Bizar…’ Mols kan zijn eerste afkeuring over de volgacties van Preuß en Grönewold niet anders onder woorden brengen dan met dat ene woord. ‘En het kan natuurlijk echt niet. Die advocaten hebben gewoon overleg over de te volgen strategie! Maar bij de BVD ging men ervan uit, gevolgd door de Duitse inlichtingendienst, dat advocaten inderdaad een verlengstuk waren van een terroristische organisatie.’ Volgens de emeritus-hoogleraar straf-(proces)recht snapt de inlichtingendienst de essentie van advocatuur niet. ‘Ze kwamen op voor de belangen van hun cliënten, dat is hun taak in een rechtsstaat. Er was geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat Pieter Herman, Ties, Willem van Bennekom of ik een strafrechtelijke grens zouden overgaan.’

Herfst voor de rechtsstaat

Vanaf het najaar van 1977 escaleert de BVD het bespioneren van Bakker Schut en zijn omgeving nog verder. De directe aanleiding is de arrestatie van RAF-lid Knut Folkerts op 22 september 1977 in Utrecht. Hierbij ontstaat een schietpartij, waarin een agent om het leven komt en een ander zwaargewond raakt. Tegelijkertijd was de Bondsrepubliek in de greep van de ontvoering van Hanns Martin Schleyer, de voormalige SS-Untersturmführer (een rang vergelijkbaar met tweede luitenant) die het na de oorlog tot voorzitter van het Bundesverband der Deutschen Industrie (een van de grootste werkgeversorganisaties van Duitsland) had geschopt. In november 1977 werden in Amsterdam-Osdorp na een vuurgevecht ook de Duitse RAF-leden Gert Schneider en Christof Wackernagel gearresteerd. Hoe moest de Nederlandse staat op deze dreiging reageren?

‘Gegen der Hetze auf den RAF’ graffiti op het Paleis op de Dam, 1977

Minister-president Joop den Uyl pleitte ervoor om het hoofd koel te houden en reacties proportioneel te houden. In Sympathie voor de RAF citeert de Utrechtse historicus Jacco Pekelder de premier die twee dagen na de arrestatie van Folkerts zei:

Het kan en mag niet zo zijn dat wij de methode van de politiestaat zouden toepassen. Ik versta daaronder dat je met verbreken van rechtsregels [die de burgers beschermen, JP] dit probleem probeert op te lossen. Daarmee zou je juist doen wat de terroristen beogen, namelijk je zou zelf tot een machtsstaat, een politiestaat worden. Dat mag niet.


De principiële visie die Den Uyl ten aanzien van de rechtsstaat huldigt, komt overeen met die van Bakker Schut. Tijdens een lezing aan de Universiteit van Tilburg op 28 oktober 1977 kreeg die laatste de vragen of hij voorstander van terrorisme was en of hij sympathie voelde voor de RAF. ‘Ik ben niet voor terreur en de tweede vraag kan ik niet beantwoorden’, tekent een aanwezige BVD-agent uit de mond van de advocaat op. ‘Als ik ja zeg, kan ik het als advocaat wel vergeten; zeg ik neen, dan kan ik mijn cliënten wel vergeten. Het is niet van belang te weten aan welke kant ik sta. Deze mensen hebben rechtskundige hulp nodig en die geef ik ze.’

Wat de premier noch Bakker Schut zelf op dat moment wisten, is dat de BVD daar anders over dacht. In een memo getiteld ‘de samenstelling van de familie Bakker Schut’ van 14 oktober 1977 besluit een BVD-agent de gehele familie van de advocaat door te lichten.

Naar aanleiding van het feit dat de bekende Utrechtse advokaat Pieter Herman Bakker Schut de verdediging op zich heeft genomen van het Duitse RAF-lid Knut Folkerts en gezien het feit dat er van genoemde Bakker Schut bekend is dat hij als advokaat kontakten onderhoudt met R.A.F. leden zowel in Nederland als in Duitsland werd het dzz. van belang geacht om de gehele familie Bakker Schut met daarbij de aangetrouwde familie eens onder ogenschouw te nemen.

Over de grens

Wat volgt is een rapport waarin Bakker Schuts vader, moeder, zussen, zwagers, stiefzus, stiefbroer, ex-echtgenote en haar nieuwe partner, ex-schoonvader en -moeder en de kinderen uit zijn vorige relatie onder de loep worden genomen; in totaal 31 personen, inclusief uitvouwbare stamboom.

Als advocaat Jelle Klaas deze memo onder ogen krijgt, reageert hij geschokt. Klaas is gespecialiseerd in mensenrechtenzaken en werkt als advocaat voor het Public Interest Litigation Project (PILP), een organisatie die onder andere strategische rechtszaken voert op het gebied van de mensenrechten in Nederland. Hij staat veelvuldig maatschappelijke organisaties en actiegroepen bij die procederen tegen de Nederlandse overheid. ‘Wat hier gebeurt is criminalisering van een advocaat, enkel op basis van het feit dat hij een cliënt bijstaat’, vertelt hij in zijn kantoor op de Roeterseilandcampus van de Universiteit van Amsterdam.

Klaas wijst erop dat de BVD achter de familie van Bakker Schut aangaat vanwege zijn werkzaamheden als advocaat. ‘De staat zegt hier tegen een advocaat: dat wat jij doet mag niet, het is fout. Terwijl er sprake is van een raadsman die een cliënt bijstaat.’ Hiervan gaat een chilling effect uit naar de rest van de samenleving, vindt Klaas. ‘Moet ik nog wel advocaat worden, als dat betekent dat mijn hele familie doorgelicht gaat worden?’

Privacyjurist Zuiderveen Borgesius van de Radboud Universiteit kan zijn oren niet geloven als hij de inhoud van de memo hoort. Hij slaat zijn hand voor zijn mond en is even stil. ‘Dit is volstrekt disproportioneel’, zegt hij vervolgens. ‘Natuurlijk zijn er mogelijke, hypothetische gevallen te bedenken waarin het beroepsgeheim van advocaten geschonden kan worden, maar dit komt daar verre van in de buurt. Maar op grond van de informatie die ik nu heb, lijkt het of dit veel te lang, veel te grootschalig en zonder enige vorm van transparantie is gedaan.’

De BVD bespioneert niet enkel Bakker Schuts familie: de dienst steekt ook zijn neus in de papieren van de advocaat – letterlijk. Uit het dossier van Bakker Schut blijkt dat de BVD in de winter van 1977/1978 een agent heeft geronseld in het Willem Pompe Instituut, de plek waar hij kantoor hield. Van dit laatste was de BVD op de hoogte: ‘hoewel zulks al wel bekend was, bleek tijdens het onderzoek inzake Folkerts nog weer eens overduidelijk dat Bakker Schut zijn (partikuliere) advokatenpraktijk runt vanuit het Criminologisch Instituut te Utrecht’, staat in een memo uit december 1977.

Wat vindt de BVD-agent zoal in het kantoor? In januari 1978 ging Bakker Schut met zijn toenmalige partner op vakantie, laat de agent weten.

Niet lang na zijn vertrek, ontving het instituut een ansichtkaart van hem […] uit Tunesië en wel van het adres 2 rue de Marseille – Tunis. Hoe lang hij daar zal verblijven en wanneer hij weer zal terugkeren is niet bekend, uit het geschrevene werd wel duidelijk, dat zij daar langere tijd zullen zijn.

Van deze afwezigheid wordt volop gebruikt gemaakt: ‘Door de enorme stilte op het Instituut kon agent rustig “zijn gang” gaan en het gelukte hem dan ook enkele zeer interessante zaken te copieëren.’ Zo ging de agent door ‘het afval’ en kopieerde hij ingekomen post van Bakker Schut – deze zit in het BVD-dossier. Het ging hier onder meer om correspondentie met groepen die opkwamen voor de rechten van politieke gevangenen en met de Duitse advocaat Hans-Joachim Weider, die was geïnteresseerd in de pleitnota van Bakker Schut inzake het proces tegen Folkerts.

Ook wil de geronselde agent de ledenlijst van het Medisch-Juridisch comité voor politieke gevangenen in handen krijgen. Deze werd eerst bewaard bij Bakker Schut, ‘later echter bij Gerardus Mols. Na onderzoek door agent is echter gebleken, dat deze ledenadministratie sinds kort uit het Instituut is verdwenen […]. Gevraagd naar de redenen van deze “verhuizing” zei agent uit ‘veiligheidsoverwegingen’, aldus de memo gedateerd op 24 januari 1978.

Het was niet de eerste keer dat de BVD-agent had gesnuffeld tussen de stukken van Bakker Schut. Zo bericht de agent op 9 januari aan de BVD:

Zijn bureau telt bijvoorbeeld twee laden. Eén lade is bestemd voor alle zaken betrekking hebbend op het wetenschappelijke werk, deze lade is altijd geopend. De andere lade – een zeer interessante lade – is gevuld met stukken betrekking hebben[d] op zijn activiteiten als raadsman en betrekking hebbend op zijn werkzaamheden voor het MJCPG. Deze lade is uiteraard altijd [onderstreept in origineel, red] gesloten, er bestaat ook geen copie-sleutel van.

Ook rapporteert de agent over het belgedrag van Bakker Schut. In de maanden die volgen blijft de BVD-agent door de post en documenten van Bakker Schut gaan en deelt hij deze met de BVD. Het zijn veelal persberichten, correspondentie met actiegroepen die zich inzetten voor de rechten van RAF-gevangenen, vertrouwelijke communicatie met andere advocaten en brieven van cliënten.

Zo keerde Bakker Schut na een tweedaags bezoek aan de Bondsrepubliek op 23 maart 1978 terug in Nederland. De BVD-agent maakt kopieën van stukken die hij uit West-Duitsland had meegebracht: een krantenartikel getiteld ‘Genossen so nicht’; een krantenartikel zonder titel over RAF-gevangenen in Nederland; het programma van het Duits-Nederland Seminar over terrorisme in de Bondsrepubliek en Nederland; een stuk voor het Internationales Verteidigungskomitee, het transnationale comité dat opkomt voor de rechten van RAF-leden; een persverklaring over hongerstakers in Duitse gevangenissen, inclusief afzender; een persverklaring van de advocaat Hans-Joachim Weider over de hongerstaking van enkele van zijn cliënten; een verklaring van enkele RAF-leden over ‘de politieke situatie in de Bondsrepubliek en het lot van de politieke gevangenen daarin’; een brief van een politieke gevangene genaamd Nina; een verklaring van het RAF-lid Hans-Joachim Dellwo over het functioneren van de rechtsstaat in de Bondsrepubliek; een verklaring van het Franse ondersteuningscomité voor politieke gevangenen; een verklaring van het internationale comité voor politieke gevangenen, waarbij agent opmerkt dat ‘deze brief niet volledig [is], de eerste en laatste bladzijden zijn aanwezig’; een vragenlijst, bestemd voor Bakker Schut en ingevuld door een RAF-lid; een drietal medische verklaringen van Duitse psychiaters over de lichamelijke en geestelijke gezondheidstoestand van de RAF-gevangenen, waarbij wordt opgemerkt dat deze ‘kennelijk [bedoeld zijn] om in ons land gebruikt te worden voor het team van vertrouwensartsen van de verdedigers van de RAF-gevangenen in Nederland’; een verklaring van de voorzitter van de rechtbank Hamburg over de verdediging van de RAF-advocaat Kurt Grönewold; een brief van Ronald Augustin over het bezoekrecht aan hem; een kopie van een enveloppe van een briefschrijver uit Karlsruhe; een exemplaar van het tijdschrift I Volsci uit Italië, waarbij ook de afzender wordt genoteerd; en een boekje getiteld Deutschland, Deutschland… Berufsverbote, met daarin bijdragen van onder andere Bakker Schut, Nico Haasbroek en Han Wielek.

‘Nee nee nee nee nee.’ Oud-rechter Van Bennekom kijkt verbouwereerd als ik de lijst met gekopieerde poststukken voorlees. Er spreekt ongeloof in de ogen van de man die spreekt over ‘onze rechtsstaat’. ‘Ik kan me geen enige legitimatie voorstellen op grond waarvan een overheidsfunctionaris zich op deze manier beweegt binnen het beroepsgeheim van een advocaat.’ Voor hem zijn deze praktijken ‘far beyond’ wat de BVD mocht en hij wil graag weten wie deze ‘Inoffizieller Mitarbeiter’ was die het kantoor van zijn confrère doorzocht.

Ook Gerard Mols is met stomheid geslagen. ‘Dit is volstrekt ontoelaatbaar. Ik sta hier echt van te kijken: daar heeft dus kennelijk iemand op het Willem Pompe Instituut gelopen die in de prullenbakken heeft zitten snaaien en die ook gewoon de post van Pieter Herman heeft gekopieerd. Dat is niet te geloven!’

De resultaten van de illegale snuffeloperaties gaan voorbij de Nederlandse landsgrenzen: de BVD deelt de namen van de correspondenten van Bakker Schut met ‘Hopman’. ‘Uit betrouwbare en zeer kwetsbare bron werd vernomen dat Bakker Schut in briefcontact staat’ met de afzenders van zijn post, schrijft de BVD, waarna ze ‘gaarne’ verneemt wat de Duitse inlichtingendienst over hen weet. Daar voegt ze wel een nota bene aan toe: ‘Deze informatie mag niet aan de politie doorgegeven worden.’

Volgens Van Bennekom duidt dat erop dat er sprake is van ‘een staat binnen een staat.’ ‘Reguliere opsporingsdiensten mogen dus niet weten wat de inlichtingendiensten allemaal uitspoken. Zij worden blijkbaar niet voldoende vertrouwd.’ Anderen wijzen erop dat als de politie de gegevens in handen krijgt, Bakker Schut er via een strafdossier achter zou kunnen komen dat zijn post illegaal wordt doorgespeeld.

De Duitse inlichtingendienst is niet de enige waarmee de BVD informatie over Bakker Schut deelt. Ook met onder meer de Amerikaanse, Belgische, Ierse en Italiaanse veiligheidsdiensten wordt informatie over de advocaat gedeeld. ‘Uit betrouwbare informatie werd vernomen dat Bakker Schut twee Italiaanse advocaten kent’, schrijft de BVD in juni 1978 aan ‘Wolf’, de codenaam voor de Italiaanse geheime dienst. ‘Graag verneem ik van U [wat] m.b.t. deze advokaten bij U bekend is.’ Het antwoord laat enige maanden op zich wachten, maar dan antwoordt Rome dat beide strafpleiters ‘links-buitenparlementaire jongeren’ verdedigen.

Ook binnen internationale organisaties van samenwerkende politie- en inlichtingendiensten worden dossiers over Bakker Schut gedeeld. Het Bundeskriminalamt deelt een tien pagina’s lang dossier over de advocaat met het Nationaal Centraal Bureau, de Nederlandse liaison bij internationale opsporingsdienst Interpol. Onderwerp van de memo: ‘Bekämpfung des internationalen Terrorismus; dossier über RA [Rechtsanwalt, red.] Bakker Schut.’ Binnen de Club van Bern, een informeel samenwerkingsverband van West-Europese inlichtingendiensten, is een kort profiel van Bakker Schut gedeeld: naam, beroep, foto, enkele notities. Op het schutblad staat ‘album of terrorists’.

Wie de advocaat in een ‘album of terrorists’ heeft geplaatst is onduidelijk. ‘Er is geen internationaal verdrag waarin staat vastgelegd wat de Club van Bern is’, legt Jelle van Buuren uit. Hij is universitair docent inlichtingen- en veiligheidsstudies aan de Universiteit Leiden. Landen kunnen volgens hem hun eigen invulling geven aan dit soort controversiële en criminaliserende begrippen, waardoor in dit geval een advocaat verdacht gemaakt wordt. ‘In zo’n club bediscussieer je niet wat anderen verstaan onder het begrip terrorisme. Het wie, wat, waar, wanneer en hoe van definities staan dus open voor interpretatie’, aldus Van Buuren.

De BVD-agent op het Willem Pompe Instituut beperkt zich niet tot het doorspitten en doorgeven van de post: hij luistert ook mee aan de deur van Bakker Schut. Op 11 april 1978 kreeg Bakker Schut op het wetenschappelijk instituut bezoek van ‘een dzz. nog onbekende dame. […] Beiden liepen naar het souterrain en namen plaats in de collegezaal recht tegenover de kamer van PHBS. De deur van deze zaal ging dicht, doch daarbuiten was nog wel wat te verstaan van hetgeen binnen werd gedaan’, staat in het dossier. Na afloop geeft de agent ook een ‘signalement’ van de bezoeker en meldt hij dat Bakker Schut de afgelopen twee weken ‘drie à vier keer heeft gebeld’ met een cliënt en ‘dan toch wel lange gesprekken met hem [voerde].’

De BVD weet ook mee te luisteren bij vertrouwelijk overleg tussen advocaten, en tussen de RAF-advocaten en hun vertrouwensartsen. In het dossier zitten onder meer gesprekken tussen Van Bennekom en Bakker Schut over de te volgen strategie; tussen Bakker Schut en Korvinus, waarbij de eerste de tweede adviseert over de politieke kant van een strafzaak; tussen Bakker Schut en advocaat Josephine Dubois, die RAF-leden Wackernagel en Folkerts bijstond en dat zij, na overleg met hen, had besloten om geen kort geding aan te spannen.

Ik ben er erg bang voor om een staat een politiestaat te noemen, maar je kan zeker zeggen dat de BVD methoden van een politiestaat toepaste.

Daarnaast weet de BVD wat de advocaten en de artsen van de in Nederland verblijvende RAF-gevangenen van vertrouwelijke medische rapporten vinden. Zo vinden Bakker Schut en Van Bennekom het rapport van Herman van Aalderen, hoogleraar huisartsengeneeskunde aan de Vrije Universiteit, ‘een voortreffelijk stuk’ en lijkt het Marius Romme, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit Maastricht, goed dat naar aanleiding van de hongerstaking van de gevangenen ‘de totale groep [artsen en advocaten, red.] bijeenkomt.’

Uit het BVD-dossier van Bakker Schut blijkt dat de inlichtingendienst ook geïnteresseerd is in de verschillende artsen die de RAF-leden van medische zorg voorzien. Romme ‘is een van vertrouwensartsen van de in gevangenschap verkerende Duitse RAF-leden. Het toeval wil dat de ID [Inlichtingendienst, red.] -Maastricht juist bezig is aan een rapport betr. Marius Romme. Dit krijgen wij z.s.m. toegestuurd’, aldus de BVD-memo.

‘Dit is zo fout als wat.’ Waar Cees Korvinus eerst nog wat lacherig deed over het gesnuffel in zijn privéleven door de BVD draait zijn toon 180 graden zodra het over het beroepsgeheim gaat. ‘Dit is volstrekt buiten het boekje van de BVD, hier had natuurlijk nooit toestemming voor mogen worden gegeven.’ De memo over het contact tussen Korvinus en Bakker Schut is van mei 1978: Korvinus was het jaar ervoor afgestudeerd en sindsdien werkzaam als advocaat. ‘Daarmee is er sprake van een schending van het verschoningsrecht.’

Willem van Bennekom kijkt wat unheimisch om zich heen als hij passages hoort uit de vertrouwelijke overleggen die hij heeft gevoerd. ‘Sommige daarvan zijn hier thuis geweest.’ Hier, in zijn eigen woonkamer, overlegde hij met Bakker Schut. Hebben de muren oren? Wie speelde confraternele informatie door? ‘Ik krijg hier een heel onaangenaam gevoel van’, zegt hij onthutst.

‘Een politiestaat was Nederland toen niet’, vindt Mols nadat hem de memo’s over de volgoperaties door de BVD en het kopiëren van de post zijn voorgelegd. ‘Maar het zijn wel de methoden van een politiestaat.’ Hierbij sluit Rudi van Meurs zich aan. ‘De term politiestaat is zo zwaar, dus je moet daarmee oppassen. Ik ben er erg bang voor om een staat een politiestaat te noemen, maar je kan zeker zeggen dat de BVD methoden van een politiestaat toepaste’, aldus de oud-Vrij Nederland-journalist.

Bakker Schut wordt gefouilleerd voor het proces van zijn cliënt Rara-activist René Roemersma

Voor mensenrechtenadvocaat Klaas is de zaak klip en klaar: ‘Dit gedrag van de BVD is zo’n grove inbreuk op de rechtsstaat, hierover hadden intern alle alarmbellen moeten afgaan.’ Het verbaast hem dat niemand binnen de BVD deze agent heeft teruggefloten. ‘De inlichtingendienst had hier zelf moeten nagaan dat dit in strijd is met alle geldende regels en normen. Je vraagt je af waarom dat niet is gebeurd.’

‘Sprake van diefstal’

Wat het handelen van de agent op het Willem Pompe Instituut saillant maakt is dat de BVD zélf vond dat het illegaal was. In een memo, opgesteld op 19 januari 1978, gaat de dienst in op het verschoningsrecht van de advocaat.

Bij personen met bevoegdheid tot verschoning […] worden, tenzij met hun toestemming, niet in beslag genomen, brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.

Daarna evalueert ze ook de onderliggende casus, ze is daarin niet mals voor zichzelf.

Er is in het onderhavige geval sprake van diefstal c.q. verduistering van bescheiden en de betrokken ambtenaar die deze aanneemt maakt zich schuldig aan heling (hij kan ook als “uitlokker” worden aangemerkt).

Uit deze observatie trekt een BVD-medewerker een duidelijke conclusie.

Gaat men met dit spel door dan ware de desbetreffende verbindingen te verzoeken de “agent” in kwestie duidelijk te maken dat geen belangstelling bestaat voor bescheiden die betrekking hebben op zaken, waarin betrokkene als raadsman optreedt maar alleen voor diens daarbuiten liggende contacten met groeperingen en personen vallende onder de omschrijving [van ons Koninklijk Besluit, red]. Alleen onder die voorwaarde kunnen wij medeverantwoordelijkheid aanvaarden voor deze operatie.

Deze notitie maakt duidelijk dat operaties van de BVD geen fouten waren, maar beleid. Zelfs nadat de dienst had geconcludeerd dat de acties illegaal waren, ging ze ermee door. ‘Dit is niet door iemand op een vrijdagnamiddag besloten’, zegt Van Buuren. Hij noemt het opzijschuiven van het juridische advies van de eigen dienst ‘niet niks’ en vraagt zich af wie de beslissing heeft genomen om, ondanks het negatieve oordeel, door te gaan met de acties tegen Bakker Schut. ‘Dit besluit moet zijn genomen door een afdelingshoofd of door de leiding van de BVD. In zo’n zaak wordt op het hoogste niveau besloten.’

In reactie op vragen wie het document heeft geschreven en wie hiervan op de hoogte waren, laat de AIVD weten dat ze ‘geen antwoord kan geven op ‘specifieke vragen naar aanleiding van de persoonsarchieven’. De reden daarvoor is dat de dienst niet kan ingaan ‘op het precieze kennisniveau en de werkwijze’ van de BVD.

Mols heeft enkel hoon voor het voorzetten van de acties: ‘Ze hadden die agent terecht moeten wijzen, zeggen dat hij uit het kantoor van Bakker Schut moet blijven. Dit is gewoon diefstal en schenden van het verschoningsrecht! En ze waren zich daar dus kennelijk bewust van.’

Van het argument dat de jaren zeventig nu eenmaal woelig waren is Mols niet onder de indruk. ‘Toen was het de Koude Oorlog of de RAF, wat zal het nu zijn? Cocaïnehandel, terrorisme, noem het maar op. De rechtsstaat heb je juist op dat soort momenten nodig, dan heb je advocaten nodig, zoals Pieter Herman, die bereid zijn om pal voor de belangen van hun cliënten gaan staan.’

Verboden boek

Na de uitlevering van Folkerts, Schneider en Wackernagel in oktober 1978 aan de Bondsrepubliek neemt de interesse van de BVD voor Bakker Schut af, zo blijkt uit de stukken die in het dossier zitten. Toch blijft de dienst regelmatig memo’s schrijven over de advocaat. Zo ging Bakker Schut in 1979 op bezoek bij collega Klaus Croissant die in Stammheim vastzat als verdachte van het ‘ondersteunen van een criminele organisatie’, c.q. het verdedigen van leden van de Rote Armee Fraktion. Enkele advocaten uit verschillende landen willen opkomen voor de rechten die Croissant als advocaat toekomen, hij en Bakker Schut hebben daar overleg over. De BVD krijgt dit feit vervolgens doorgespeeld van de Duitse justitie. In 1980 kwam zijn inmiddels vrijgelaten cliënt Ronald Augustin bij Bakker Schut langs. Drie jaar later geeft de BVD nog een plichtmatig aandoende update aan de Duitse inlichtingendienst over de activiteiten van Bakker Schut.

Ook de publicaties die Bakker Schut voor de huiskrant van juridisch Nederland schreef, eindigen in zijn dossier. In januari 1983 verschijnt in dit Nederlands Juristenblad (NJB) het artikel ‘Het afluisteren van advocaten; een case study.’ Bakker Schut betoogt hoe ver Duitse justitie ging in de strijd tegen de RAF: het afluisteren van advocaten inzake verdediging van hun cliënten was bij de Oosterburen geen taboe.

Hij wist echter niet dat hijzelf ook slachtoffer was van deze praktijken in West-Duitsland, alsmede in eigen land. Vermoedens had hij wel: uit publicaties van het Ministerie van Justitie wist hij dat hij in interne BVD-cursussen figureerde als ‘staatsgevaarlijk persoon’. ‘Wat in de [Bondsrepubliek] al openlijk gebeurt speelt zich hier nog in het verborgene af’, schrijft hij in NJB. De BVD stuurt het artikel door naar de Duitse inlichtingendienst.

Als in 1986 het proefschrift van Bakker Schut verschijnt, neemt de verzamelwoede van de BVD weer toe. De dienst knipt krantenartikelen over hem uit en houdt bij wat er over zijn dissertatie Politische Verteidigung in Strafsachen wordt geschreven. Bakker Schut analyseert in zijn proefschrift de processen tegen de RAF en de rol van de advocatuur in strafzaken met politieke overtuigingsdaders. In de Bondsrepubliek ontstaat enige consternatie als een jaar later van de hand van Bakker Schut Das info. Briefe der gefangenen aus der RAF 1973-1977 verschijnt: het West-Duitse Ministerie van Justitie probeert verspreiding ervan te verbieden vanwege ‘ondersteuning van een terroristische vereniging.’

Een bron waarschuwde de BVD voor ‘onvermijdelijke publiciteit en mogelijke acties’ vanwege de zaak die het Openbaar Ministerie in Karlsruhe tegen Bakker Schut is begonnen. In oktober 1987 beveelt de hoogste baas van het Duitse openbaar ministerie het boek in beslag te nemen. In honderden boekwinkels haalt de politie het brievenboek uit de schappen. ‘Het Bundesgerichtshof had met de inbeslagname een grote vergissing begaan’, zei Bakker Schut in november 1987 tegen een collega van zijn advocatenkantoor Nieuwezijds, nadat de rechtbank het Openbaar Ministerie had teruggefloten. Hoe de BVD aan het verslag van het overleg tussen Bakker Schut en zijn collega komt is onduidelijk; de dienst spreekt van een ‘betrouwbare doch kwetsbare bron.’

Zelfs in 1988 is de BVD nog geïnteresseerd in het doen en laten van Bakker Schut. De Italiaanse inlichtingendienst weet de hand te leggen op correspondentie tussen Bakker Schut en Giovanni Senzani, een gedetineerd lid van de Rode Brigades, een gewelddadige linkse groepering die actief was in de jaren zeventig en tachtig. Bakker Schut staat Senzani bij in de rechtszaal. ‘It is possible that he and Senzani will have an ideological conversation. We are very interested in any news about his visit’, schrijft de BVD aan zijn Italiaanse tegenhanger.

‘Homofiel zijnde’

In het dossier Bakker Schut gluurt de inlichtingendienst niet alleen mee in zijn publieke en professionele leven: ze maakt ook notities over zijn privéleven en dat van iedereen in zijn omgeving in wie de BVD interesse heeft. Bakker Schut vindt een proefschrift van een collega goed? Direct spant de dienst zich in om een exemplaar te bemachtigen. Bakker Schut heeft een gescheurde meniscus? De BVD stelt een separate memo op. Ongefilterd noteert de BVD dat de agent op het Willem Pompe Instituut een collega omschrijft als ‘te vies om met een tang aan te pakken.’

De BVD wil graag van de agent weten wie binnen de Universiteit Utrecht nog meer geschikt is om Bakker Schut te bespioneren. Helaas voor de dienst is ogenschijnlijk niemand geschikt: de ene is niet discreet genoeg, de ander gaat ‘over lijken’ om Bakker Schut te verdedigen. De BVD kan echter wel vertrouwen op zijn eerder geronselde agent: ‘U bent in de toekomst welkom als u nadere informatie mocht wensen en u meent dat ik die kan verstrekken.’

Over twee personen uit de omgeving van Bakker Schut noteert de BVD dat ze ‘homofiel’ zijn. Ook over de seksuele relaties van Bakker Schut zelf wordt volop gespeculeerd, evenals over zijn seksuele geaardheid. ‘Daarnaast gaan er op het instituut en in de studentenwereld geruchten dat Bakker Schut bisexueel zou zijn; hij werd waargenomen terwijl hij hand in hand met een man door de gang van het instituut liep en zich onbespied waande.’

Het verschilt niet zo veel van de DDR, hè? En dan is het wel fijn als je weet dat iemand homoseksueel is, of bi. Dan kan je hem onder druk zetten.

Voormalig hoogleraar De Wolff ontwaart wel een logica in het handelen van de dienst. ‘Als je bij zo’n geheime dienst werkt, wil je ook je bestaansrecht aantonen, dus dan ga je op zoek. Dat is natuurlijk function creep.’ Instanties, zoals veiligheidsdiensten, verzamelen dan meer informatie dan ze eigenlijk mogen of nodig hebben, enkel en alleen omdat ze het kunnen. ‘Je hebt er nou eenmaal iemand zitten, dus dan pak je alles mee. Dan zie je in alles een mogelijkheid om je bestaansrecht te bewijzen.’

Als ze de notitie hoort over wie wel en wie niet geronseld kan worden als agent, moet ze aan de Stasi denken. ‘Het verschilt niet zo veel van de DDR, hè? En dan is het wel fijn als je weet dat iemand homoseksueel is, of bi. Dan kan je hem onder druk zetten.’

‘Wat hier gebeurde was natuurlijk volstrekt fout’, vindt Van Meurs. Toch probeert hij ook te begrijpen wat er binnen de BVD gebeurde. ‘Die agenten moesten gewoon dingen noteren, het was hun leven. Ze wilden promotie maken door extra notities te maken. Natuurlijk heb ik er problemen mee, maar het gebeurt wel.’ Hij ziet de werkzaamheden van de veiligheidsdienst als ‘pure werkverschaffing’ en gelooft niet dat de medewerkers van de BVD handelden uit politieke overtuiging. ‘Ze werden gewoon ingehuurd om dingen te doen waarvoor ze betaald worden. Dat is uiteindelijk de banaliteit van het kwaad.’

Ondermijning van binnenuit

Wie bewaakte de bewakers, vraagt oud-rechter Van Bennekom zich af. Hij ziet nut en noodzaak van een inlichtingendienst, maar vindt dat in deze casus grove inbreuk is gemaakt op de uitgangspunten van de rechtsstaat. ‘Als je in het middenkader, of zelfs in de top, mensen hebt die denken: we rekken het zo ver op, totdat we tegen de lamp lopen, dan heb je een groot probleem.’ Grondige actie van de huidige minister van Binnenlandse Zaken lijkt hem dan ook vereist. ‘Als dit 40 jaar geleden kon, waarom zou het dan nu niet kunnen?’

Van Meurs sluit zich daarbij aan. ‘De BVD heeft tientallen jaren mensen gekneusd en gepijnigd. Nu wordt dat dankzij de overgedragen dossiers stukje bij beetje publiek en zien we de ware omvang van het gewroet in mensenlevens. Hanke Bruins Slot, de huidige minister van Binnenlandse Zaken, moet hierover de onderste steen boven krijgen.’

Ties Prakken ziet in het dossier van haar dierbare collega een bevestiging van haar wantrouwen jegens de inlichtingendienst. ‘Ze hebben zich volstrekt niet aan de regels gehouden. En we weten nu van dit dossier, hè? Hoeveel liggen er nog in het Nationaal Archief? Of bij de AIVD?’ De emeritus-hoogleraar trekt een strenge conclusie: de bedreiging van mensenrechten kwam niet van buiten, maar vanuit het hart van de staat. ‘Als er één rechtsstaat-ondermijnende instelling is geweest, dan is dat de inlichtingendienst.’

Hoe kan ik als advocaat er 100 procent van uitgaan dat dit niet nu ook gebeurt? Want de regels waren er toen ook al, dat blijkt ook.

Voor advocaat Klaas is het dossier-Bakker Schut een wake-up call voor de hedendaagse advocatuur: hij vindt het beangstigend hoe relatief recent en op structurele wijze de rechtsstaat door de inlichtingendienst is geschonden. ‘Hoe kan ik als advocaat er 100 procent van uitgaan dat dit niet nu ook gebeurt? Want de regels waren er toen ook al, dat blijkt ook. Om politiek gemotiveerde [redenen] hebben ze er lak aan gehad en is er zo overheen gewalst.’ Hij wenst dan ook een ferm antwoord van de minister. ‘Hoe krijgen wij de garantie dat dit nu niet gebeurt? Ik wil een reflectie over die tijd en hoe we ervoor moeten zorgen dat dit nooit meer gebeurt.’

‘Authentieke honger naar gerechtigheid’

Aan het hoofd van de tafel in de spreekkamer van Adèle van der Plas staat een beeld van een metalen bef. ‘Dit is de Amsterdamse Dekenprijs, Pieter kreeg deze in 2007 vlak voor zijn overlijden.’ Zijn hoofdstedelijke confrères hadden Bakker Schut op zijn sterfbed geprezen voor zijn indrukwekkende carrière; hij had ‘een authentieke honger naar gerechtigheid gecombineerd met een ongehoorde dosis strijdlust.’ Naast de voordeur van het statige grachtenpand waar we elkaar spreken, hangt een plaquette: Bakker Schut & Van der Plas Advocaten. Sinds 1977 hadden ze een relatie en in 1994 zijn ze samen hun eigen advocatenkantoor begonnen.

Voordat ze één pagina van het dossier heeft ingezien, vraag ik aan Van der Plas waarom de advocatuur een cruciale positie heeft binnen de rechtsstaat. ‘Een advocaat moet vertrouwelijk kunnen communiceren met zijn cliënt, dat is onderdeel van het recht op een eerlijk proces: een mensenrecht – beschermd bijvoorbeeld in artikel zes van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.’

Bakker Schut bij zijn promotie,
15 oktober 1986

Ze hamert op het belang van rechten van verdachten en op het belang van mensenrechten. ‘Vanaf mijn studie aan het Willem Pompe Instituut is dit voor mij cruciaal: in strafzaken heb je een individu tegenover een machtige staat, dus moet je opkomen voor de rechten van het individu. Juist in de moeilijkere of politiek delicate zaken.’ Bakker Schut was daarin voor haar een motivator en leermeester. ‘Pieter was zo secuur, hij balanceerde op de balk die politieke advocatuur is, en hij is nooit gevallen.’

In zijn proefschrift zette Bakker Schut de paradox van de politieke advocatuur uiteen: ‘In politieke strafzaken bevindt de advocaat zich continu in een spanningsveld tussen loyaliteit aan het systeem waarin hij werkt en waarvan hij gebruikmaakt, en loyaliteit aan zijn cliënten, die dit systeem geheel of gedeeltelijk verwerpen en daarbij behorende doelen najagen; hij wil en/of kan echter geen afstand nemen van zijn cliënten noch van hun doelen.’ Het is een herhaling van de boodschap die hij al in oktober 1977 uitdroeg: inzet voor de belangen van cliënten binnen het juridisch systeem, zelfs wanneer een cliënt dit systeem afwijst. De Dekenprijs ziet Van der Plas als erkenning voor Bakker Schuts uitvoering van deze balanceeract – in zijn hele carrière heeft hij geen strafbare misstappen gemaakt.

In bijna twee uur gaan Van der Plas en ik door het dossier van haar overleden man. Soms moet ze grinniken vanwege de herinneringen die de memo’s naar boven halen: de gezamenlijke skivakanties, de oude collega’s van het Willem Pompe Instituut, haar reizen naar Cuba, waar zij voor haar proefschrift onderzoek deed naar het strafrechtsysteem, het koddige niveau van de roddels van informanten. Maar het zijn eilanden in een oceaan van verbijstering over de diepgaande en structurele surveillance van Bakker Schut en zijn omgeving.

‘Het is onacceptabel wat hier is gebeurd: naar Pieter – als privépersoon, wetenschapper én advocaat – en bovenal naar de rechtsstaat.’ Overigens zijn ook over Van der Plas BVD-rapporten opgesteld: in 1978 werden drie kantjes volgetikt ‘in verband met het feit dat zij doceert aan het Pompe Instituut te Utrecht.’

Over veel voorbeelden is Van der Plas niet verbaasd: zij wist van Bakker Schut dat hij in de gaten werd gehouden, maar de reikwijdte, diepgang en tijdsduur laten haar wel schrikken. Als een dossiertijger bijt ze zich vast in de memo waarin staat dat de acties illegaal zijn. ‘Ik wil weten wie deze memo heeft geschreven. Het hoofd van de BVD? Is het afkomstig van het Openbaar Ministerie? Hierop moet de minister antwoord geven.’

Ze tilt er zwaar aan dat, ondanks de vaststelling dat het kopiëren van vertrouwelijke post van Bakker Schut niet door de beugel kon, gewoon werd doorgegaan. ‘Zelfs als ze wisten dat ze over de schreef gingen, werd er niet ingegrepen. De medewerkers van de dienst gingen volkomen hun eigen gang en iedere controle ontbrak. De BVD heeft hier willens en wetens de rechtsstaat verkracht.’

Reactie AIVD:

De archieven geven een inkijk in het onderzoek dat de CVD en BVD (de voorlopers van de AIVD) destijds deden. De overdracht van het archief past bij het streven om waar het kan bij te dragen aan wetenschappelijke studie naar inlichtingen- en veiligheidsdiensten en openheid aan het publiek.’

Op alle andere vragen – onder meer over het aantal agenten binnen het Willem Pompe Instituut, het inlichten van toezichthouders en het volgen van mensen met een beroepsgeheim (advocaten en medici) – geeft de AIVD geen antwoord.

Teun Dominicus studeerde geschiedenis en politicologie en werkt als freelance journalist.

Abonneer je voor €20 en krijg toegang tot alle artikelen of voor €30 en ontvang dit jaar twee nummers op papier