Search
Close this search box.

Toen Jamaicaanse slaafgemaakten in opstand kwamen op eerste kerstdag 

Op eerste kerstdag in 1831 begonnen 60.000 slaafgemaakte Afrikanen de grootste opstand in de geschiedenis van Brits West-Indië. Hun opstand zou later een mijlpaal blijken op de weg naar bevrijding slechts enkele jaren daarna.
Beeld: Destruction of the Roehampton Estate january 1832, Duperly 1833 Bron: Wikimedia Commons

Abonneer je voor €30 en krijg toegang tot alle artikelen en dit jaar twee nummers op papier.

Eind december 1831 lagen de witte Jamaicaanse plantage-eigenaren onrustig te slapen. Geruchten over onrust onder de slaafgemaakte Afrikanen die op de plantages op het eiland verbleven, deden al geruime tijd de ronde. Voordat ze het wisten zou het eiland in lichterlaaie staan, terwijl tienduizenden zich bewapenden om te vechten voor hun vrijheid.

De Kerstopstand (ook wel Baptistenoorlog genoemd, naar het geloof van veel van de belangrijkste voorvechters) werd bekend als de grootste opstand van slaafgemaakte Afrikanen in de geschiedenis van Brits West-Indië. De opstand was van directe invloed op de afschaffing van de slavernij in het grootste deel van het Britse Rijk in 1833 en de volledige bevrijding van slaafgemaakten in Brits West-Indië in 1838.

Samuel ‘Daddy’ Sharpe, een zwarte baptistische geestelijke, mobiliseerde op 25 december 1831 slaafgemaakte Afrikanen om deel te nemen aan een vreedzame algemene staking om loon en meer vrijheden te eisen.

Om de dynamiek van de opstand te begrijpen, is het essentieel om de sociale structuren van het negentiende-eeuwse koloniale Jamaica te begrijpen. Jamaica was, net als een groot deel van West-Indië, een zogenaamde plantocratie. Dit betekende dat een minderheid van witte Europese kolonisten, mensenhandelaren en plantage-eigenaren de slaafgemaakte Afrikaanse meerderheid op het eiland overheerste. 

Zich bewust van hun minderheidspositie (Afrikanen waren met twaalf keer zoveel mensen als de witte bewoners), gebruikten de plantage-eigenaren meedogenloos geweld om hun slaven thuis te tuchtigen. Ze wendden daarnaast hun enorme rijkdom en invloed aan om te lobbyen tegen de abolitionisten in het Britse parlement en in de pers. Maar ondanks hun pogingen zou het einde van de slavernij in het Britse Rijk naderen, de hoop op een nabije bevrijding moedigde de slaafgemaakte bevolking aan om het heft in eigen handen te nemen.

Samuel ‘Daddy’ Sharpe, een zwarte baptistische geestelijke, mobiliseerde op 25 december 1831 slaafgemaakte Afrikanen om deel te nemen aan een vreedzame algemene staking om loon en meer vrijheden te eisen. Hoewel geweldloosheid beoogd was, verkeerde Sharpe niet in de illusie dat de als gewelddadig bekendstaande klasse van plantage-eigenaren haar reputatie niet zou waarmaken.

Al zijn militaire commandanten waren geletterde mede-slaafgemaakte Afrikanen die vanuit verschillende plantages waren geworven. De organisatie van de opstand was een toonbeeld van de efficiëntie van de sterke communicatienetwerken, die in de volksmond beter bekend stonden als het ‘geruchtencircuit’ van de slaafgemaakten. Cruciaal was ook de beperkte vrijheid die Sharpe was gegeven: als geestelijke had hij de mogelijkheid om zich over het eiland te bewegen en in het geheim mensen te mobiliseren na afloop van de gebedsbijeenkomsten.

De aanvankelijk vreedzame demonstratie werd al gauw een gewelddadige opstand: op een bevolking van 600.000 namen zo’n 60.000 slaafgemaakten de wapens op om zich tegen hun onderdrukking te verzetten. Toen Kensington Estate door slaafgemaakte rebellen in brand werd gestoken, was elk voorwendsel van een vreedzame demonstratie verdwenen. De opstand was nu echt losgebarsten.

De Plantocratie

Naast het feit dat de Kerstopstand inzicht geeft in het massaverzet tegen slavernij, biedt het ook een waardevolle case study van de complexiteit van het bestuur van een plantocratie en van de tegenstrijdigheden van het verzet van slaafgemaakten. In hun zoektocht naar ondersteuning voor het neerslaan van de opstand, verwierven de koloniale autoriteiten de hulp van marrons uit Accompong en van de Britse Windward Islands – dit waren beide afzonderlijke militante guerrillaorganisaties van ontsnapte voormalige slaven. 

Na afloop van hun eigen Maroon Wars in de achttiende eeuw hadden de marrons een zekere mate van onafhankelijkheid verkregen. Als gevolg van overeenkomsten getekend met de koloniale autoriteiten na afloop van de First Maroon War van 1728-1739, werden de verdragsluitende marronfacties kleine stukken land gegund die later bekend zouden worden als marrondorpen. 

Vele marronfacties verzetten zich tegen de afspraak van de Britten, maar later zouden de marrons zichzelf tegenover hun mede-onderdrukte Afrikanen geplaatst zien.

Het voorbehoud voor deze overeenkomst was dat deze marrondorpen een witte opzichter toegewezen zouden krijgen en dat marronstrijders geacht zouden worden koloniale autoriteiten te helpen bij het neerslaan van toekomstige opstanden van hun slaafgemaakte broeders en zusters en bij het vangen van weggelopen slaven. Vele marronfacties verzetten zich tegen deze afspraak, maar later zouden de marrons zichzelf tegenover hun mede-onderdrukte Afrikanen geplaatst zien.

De opstand leidde tot de dood van veertien plantage-eigenaren en tweehonderd slaafgemaakte Afrikanen, met daarnaast een geschatte materiële schade van zo’n 124 miljoen Britse pond vandaag de dag [ongeveer 145 miljoen Euro, red.]. Afrikaanse rebellen staken honderden gebouwen op het eiland in brand, inclusief Rohampton Estate, dat later brandend zou worden vereeuwigd door de Franse lithograaf Adolphe Duperly. Het was echter in de nasleep van de opstand dat het meest sadistische geweld plaatsvond.

De nasleep

De witte Jamaicaanse plantocratie beantwoordde de opstand in de enige taal die het sprak: onbeschrijfelijk geweld. De vergeldingsacties van de Jamaicaanse klasse van plantage-eigenaren in antwoord op een dergelijke belediging van hun autoriteit waren meedogenloos en willekeurig. Meteen na de opstand werden zo’n 340 Afrikanen met gebruikmaking van wrede en afschuwelijke methoden geëxecuteerd. De meerderheid werd opgehangen, hun hoofden tentoongesteld op verschillende plantages op het eiland om zo te dienen als waarschuwing tegen toekomstige opstanden.

Wat voor het Britse Parlement echter te ver ging, was het met pek en veren wegsturen van een witte zendeling verdacht van het aanwakkeren van de opstand. Het is moeilijk om een duidelijker voorbeeld te vinden van de geracialiseerde prioriteiten van het Britse Rijk: het was niet zozeer de brute moord op duizenden zwarte Afrikanen (die werden immers als niet meer dan een bezitting beschouwd) die serieuze aandacht trok, maar veeleer een witte zendeling die door witte plantage-eigenaren was gestraft. De vuile halsdoek van deze zendeling ging het Verenigd Koninkrijk rond, tot afschuw van diegenen die het zagen, ter ondersteuning van de zaak van witte abolitionisten.

We zouden er vandaag de dag niet ver naast zitten als we Sharpe een voorstander van een soort bevrijdingstheologie zouden noemen. In de gevangenis, na zijn mislukte opstand, beweerde Sharpe dat hij van de bijbel had geleerd dat ‘witte mensen niet meer recht hadden om zwarte mensen in slavernij te houden dan dat zwarte mensen witte mensen tot slaaf zouden mogen maken. […] Ik sterf nog liever daarginds aan de galg dan te leven in slavernij.’ Sharpe werd op 23 mei 1832 aan de galg opgehangen. Hij wordt in Jamaica als nationale held herdacht, zijn beeltenis is te vinden op het Jamaicaanse 50 dollarbiljet.

Een voortgaande strijd

Het bekende verhaal wil ons graag laten geloven dat het Britse Rijk in 1838 uit moreel plichtsbesef ervoor koos om de duizenden Afrikaanse slaafgemaakten in Jamaica volledig te bevrijden. De waarheid is echter tegenovergesteld. Ondanks de mislukking van de Kerstopstand, toonde de enorme omvang ervan en het voortdurende verzet van slaafgemaakte Afrikanen, dat de eeuwenoude praktijk van slavernij onhoudbaar was geworden.

De Kerstopstand versnelde de invoering van de wet op de afschaffing van de slavernij in 1833. Deze wet schafte slavernij ‘aan de oppervlakte’ af, maar legde tevens vast dat voormalig slaafgemaakte Afrikanen een ‘stageperiode’ zouden moeten ondergaan bij hun oude meesters, voordat ze bevrijd zouden kunnen worden. Het was pas in 1838 dat Groot-Brittannië hen volledige vrijheid verleende.

 

Als we stilstaan bij de Kerstopstand en de heldenmoed van al die Afrikanen die een vrijwel onmogelijke strijd streden, moeten we ook bedenken dat de lange strijd voor gerechtigheid nog steeds niet is voltooid.

Aan de slaveneigenaren, de Jamaicaanse klasse van plantage-eigenaren inbegrepen, werd een schone 20 miljoen pond ter compensatie toegekend – een bedrag dat destijds 40 procent van de nationale begroting van Groot-Brittannië bedroeg, met een waarde van meer dan 17 miljard pond [zo’n 20 miljard euro, red.] vandaag de dag. Deze monumentale schuld is pas in 2015 afbetaald, wat inhoudt dat de belastinginkomsten van Britse burgers, waaronder mogelijk de afstammelingen van slaafgemaakte Afrikanen, zijn gebruikt om bij te dragen aan het compenseren van mensenhandelaren. De voormalige slaafgemaakte Afrikanen, generaties lang onderworpen aan onnoemelijke wreedheden, kregen niets.

In 2022 verzocht de Jamaicaanse regering de Britse overheid om zeven miljard pond aan herstelbetalingen, zonder succes. De Britse regering verwierp het Jamaicaanse verzoek vanwege praktische bezwaren. Wie zou ervoor moeten betalen? En aan wie?

Dergelijke vragen werden niet gesteld toen de Britse regering de slaveneigenaren compenseerde voor het verlies van hun ‘bezit’. Als we stilstaan bij de Kerstopstand en de heldenmoed van al die Afrikanen die een vrijwel onmogelijke strijd streden, moeten we ook bedenken dat de lange strijd voor gerechtigheid nog steeds niet is voltooid.

Perry Blankson is columnist voor ons zusterblad Tribune en projectcoördinator van de Young Historians Project. Hij is acquirerend redacteur voor het History Matters Journal.

(Beeld: Destruction of the Roehampton Estate january 1832, Duperly 1833 Bron: Wikimedia Commons)