Search
Close this search box.

Mama las Marx: ‘Al had je het over kaneelbeschuitjes, alles was terug te leiden tot het communisme’

Na de Tweede Wereldoorlog had de CPN (Communistische Partij Nederland) een dikke vinger in de pap bij het communistische gezinsleven. Historicus Elke Weesjes schreef aan de hand van interviews en onderzoek een empathisch boek over opgroeien in communistische gezinnen tijdens de Koude Oorlog.

Jacobin #1 over ‘Zorgen’ is uit.
Abonneer je voor €30 en we sturen hem op.

Wij waren op 1 mei vrij. Dat was geen nationale vrije dag, maar wij waren dan heel demonstratief vrij. Overdag ging je naar de kinderviering, die werd georganiseerd door de partij, en ’s avonds ging je mee naar Marcus Bakker. Mijn vader schreef dan gewoon een briefje: ‘Op de Dag van de Arbeid zijn wij vrij’. Op school werd er gelachen, maar ze durfden toch ook niet echt te zeggen dat dat niet mocht.

Aldus ‘Mieke’ (een gefingeerde naam) aan historicus Elke Weesjes in een gesprek over opgroeien in een CPN-gezin tijdens de Koude Oorlog. Onlangs verscheen het boek Mama las Marx. Communistische gezinnen in naoorlogs Nederland. Weesjes, de auteur, is gespecialiseerd in de geschiedenis van radicale bewegingen en schetst in dit boek hoe het was om op te groeien in gezinnen waarvan de ouders CPN-lid waren. Ze interviewde CPN’ers om zo veel mogelijk te weten te komen over hun opvoeding en gezinsleven tijdens de Koude Oorlog, en hoe ze hierop terugkijken. Deze mensen, nu in de zestig en zeventig, vertellen over verjaardagen, vakanties, de omgang met niet-communistische gezinnen, wie er thuis werkte en wie de afwas deed, maar ook over hoeveel ze wisten van het verzetswerk en de oorlogstrauma’s van hun ouders. 

De geïnterviewden begrepen dat Weesjes’ boek niet anticommunistisch van aard zou zijn, en voelden kennelijk ruimte om hun ideeën scherper neer te zetten.

Waar Weesjes spreekt over ‘communisten’, bedoelt ze consequent de leden en sympathisanten van de CPN. Andere stromingen binnen het communisme worden af en toe aangehaald, maar voor de interviews benaderde Weesjes alleen kinderen van CPN’ers. Ik zal de term ‘officieel communisten’ aanhouden, om toch een onderscheid te maken. Met deze term worden in het algemeen de communistische partijen aangeduid die de lijn van Moskou volgden, (voornamelijk) na de Tweede Wereldoorlog. 

Aan de hand van anekdotes en historische context, met een lichte theoretische duiding, scheidt Weesjes theorie van praktijk; we lezen hoe de CPN-ideologie in de dagelijkse praktijk van de gezinnen vorm kreeg, of soms juist genegeerd werd. Hierbij laat ze ruimte voor een kritische noot – de negatieve ervaringen zijn niet stalinistisch uit de geschiedschrijving gewist.

Weesjes interviewde de ‘kinderen’ in 2001, en nog een keer in 2019. Ze merkte op dat de geïnterviewden zich bij het tweede gesprek beter op hun gemak leken te voelen. In de tweede gesprekken kwam meer kritiek naar voren, al paste deze niet in het ‘standaard anticommunisme.’ De geïnterviewden begrepen dat Weesjes’ boek niet anticommunistisch van aard zou zijn, en voelden kennelijk ruimte om hun ideeën scherper neer te zetten. Dit is kenmerkend voor het boek. Bij auteurs die over communisme in Nederland schrijven en die zijn opgegroeid in de Koude Oorlog (al dan niet in een officieel communistische omgeving) zien we vaak dat het vertrekpunt anticommunistisch is, juist door eigen ervaringen. Als voorbeeld hiervan haalt Weesjes Jolande Withuis aan, in wiens werk de eigen ervaringen met het communisme als bijzonder negatief naar voren komen. Dit kleurt duidelijk haar onderzoek. 

Mama las Marx moet ons op toegankelijke wijze een indruk geven van een ‘communistische opvoeding’ in de jaren vijftig en zestig. Doordat de focus ligt op anekdotes, ontbreekt vaak een historische duiding van de ontwikkelingen binnen de CPN. De CPN was niet haar hele bestaan een monolithische partij, maar kende veel fasen en stromingen. Dit gebrek aan context maakt het lastig om eenduidige conclusies te trekken uit Weesjes’ werk. Toch biedt Mama las Marx weerstand tegen de anticommunistische geschiedschrijving die na de Tweede Wereldoorlog schering en inslag is geworden, en draagt het bij aan meer kennis over, en een bredere interpretatie van het nut van een grote communistische beweging. 

Verzetsvrouwen achter het aanrecht

Het tweede hoofdstuk gaat over de rol van de vrouw binnen het gezin. Ook in CPN-gezinnen bleef die eigenlijk vrij lang traditioneel, waarbij de vrouw een onderdrukte en ondersteunende positie had. De communistische ideologie eiste in theorie gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, totdat de Sovjet-Unie hier aanpassingen in begon aan te brengen. Weesjes begint het hoofdstuk met de discrepantie tussen de belangrijke rol van communistische vrouwen in het verzet, en de ondersteunende en weinig politieke rol die ze daarna hadden in de partij. Ook binnen gezinnen leek de traditionele man-vrouwverhouding stand te houden. De CPN volgde de Sovjet-Unie: in de partijprogramma’s na de oorlog stond weliswaar nog steeds de eis ‘gelijk loon voor gelijk werk,’ en de partij ageerde tegen het ontslag van getrouwde vrouwen, maar in de praktijk werd toch de zorgende rol van de vrouw benadrukt. Wat Weesjes schrijft over verschillen tussen theoretische gelijkwaardigheidseisen en de praktijk, is nog steeds een herkenbaar en zorgwekkend aspect van de arbeidersbeweging. 

In de praktijk betekende Nieuw Links’ geen onafhankelijker communistische koers, maar het volledig verlaten van communisme en klassenpolitiek. 

Aan het einde van het hoofdstuk schrijft Weesjes dat er in de jaren tachtig een einde kwam ‘aan de tegenstrijdige houding van de partij ten aanzien van de positie van de vrouw,’ doordat de vrouwen die in de jaren zeventig actief werden in de feministische beweging steeds meer invloed kregen in de CPN. De campagne om abortus te legaliseren zou de reden zijn geweest voor veel jonge communisten om zich aan te sluiten bij ‘Nieuw Links,’ wat Weesjes omschrijft als ‘een democratiseringsbeweging die in de hele westerse wereld mensen uit verschillende linkse hoeken verenigde.’ Deze beweging stond voor gelijkheid tussen man en vrouw, en voor seksuele vrijheid. Ze stelde haar eisen niet alleen aan de staat, maar ook aan de bestaande linkse partijen zoals de PvdA en CPN, zo schrijft Weesjes, omdat deze partijen te terughoudend gereageerd hadden op de ontwikkelingen rondom deze thema’s in de jaren zestig. 

Hier mist echter een analyse van ‘Nieuw Links.’ Deze term kan duiden op de vernieuwingsbeweging binnen de PvdA in de jaren zestig, maar Weesjes schrijft dat het een beweging betreft die de hele westerse wereld in haar greep houdt. Dat zou wijzen op Nieuw Links zoals The New Left, een beweging die historicus Ellen Meiksins Wood duidt als het wegbewegen van klassenpolitiek, oftewel het ontstaan van eurocommunisme; een politieke stroming die door bijna alle officieel communistische partijen vloeide. Deze stroming stond een meer onafhankelijke koers van Moskou voor, met nadruk op vrouwenrechten, LHBT+ emancipatie en ‘niet-klassieke’ CPN-opvattingen. In de praktijk betekende deze stroming geen onafhankelijker communistische koers, maar het volledig verlaten van communisme en klassenpolitiek. 

Door geen (juiste) klassenanalyse te maken, resulteerde deze politiek in een zoektocht naar oplossingen binnen het kader van de huidige burgerlijke staat. De hele beweging, politiek, parlementair en sociaal, wordt opgeslokt door het kapitalistische systeem. Veel ‘post-marxistische’ denkers die opgegroeid zijn in een welvarend kapitalisme, niet in tijden van oorlog of hongersnood, verleggen het brandpunt van hun politiek en verwijderen het klassenaspect steeds meer uit hun hele politieke houding. In Nederland resulteerde dit in de fusie van partijen, waaronder de CPN in GroenLinks, waarbij de hele revolutionaire basis van het marxisme vakkundig werd weggesloopt.  

De stelling dat de tegenstrijdige houding van de CPN ten aanzien van de positie van de vrouw opgelost zou zijn door de opkomst van Nieuw Links, is in deze context makkelijk. Het gaat er eigenlijk niet om of een problematische partijhouding wordt aangepast naar een geëmancipeerde, maar om de verwijdering van klassenpolitiek uit het hele politieke speelveld. Dat is bijna net zoiets als zeggen dat iemand die beide benen heeft verloren, tenminste nooit meer blaren kan krijgen. Bovendien: als we kijken naar het huidige politieke landschap, dan zien we nog steeds een groot verschil tussen het aantal mannelijke politieke woordvoerders en vrouwelijke. Ook valt op dat vrouwen vaak organisatorische en ondersteunende rollen op zich nemen, terwijl mannen eerder naar voren stappen in de expliciet politieke arena. Het ongelijkheidsprobleem is dus nog steeds niet opgelost.   

De ‘communistische zuil’

De verschillen tussen communistische theorie en de praktijk bij gezinnen thuis, worden het meest expliciet in het hoofdstuk over opvoeding, cultuur en vrijetijdsbesteding. Hoewel de partijlijn in het algemeen erg stellig was, ook op het gebied van vrijetijdsbesteding (communistische boeken lezen, veel sporten en naar buiten, enzovoort), lieten veel ouders hun kinderen erg vrij in hun dagbesteding. Uit het boek blijkt dat solidariteit het toverwoord was in deze gezinnen. Niet alles werd precies volgens de partijlijn gedaan, maar vrijwel alles werd ‘politiek gemaakt’: ouders brachten hun kinderen bij om altijd aan de mensen om hen heen te denken – het collectief. Deze houding past binnen de ‘communistische zuil’ die Weesjes omschrijft. Ze noemt het niet, maar uit Weesjes’ boek blijkt de bijna gedwongen partijbeweging die de CPN na de oorlog kenmerkte. Hele gezinnen en families leefden als het ware in de communistische zuil, met zomerkampen, knutselclubs en vrijetijdsbesteding, ook voor volwassenen. Hoewel veel van de gezinnen volgens de geïnterviewden ‘hun best deden om normaal gevonden te worden,’ waren ze gevoelig voor de sociale controle vanuit hun ‘zuil’. Weesjes had dieper in kunnen gaan op de communistische theorieën omtrent zuilen, of op de toepasselijke term ‘partijbeweging’.

Hier is het handig om even stil te staan bij het concept ‘partijbeweging’, dat de laatste jaren een heropleving kent. Dit heeft deels te maken met het onderzoek van politicoloog Lars Lih naar de Tweede Internationale en de Bolsjewieken, en het boek Revolutionary Strategy van academicus Mike Macnair. ‘Partijbeweging’ is het idee dat het noodzakelijk is om vanuit een communistisch perspectief (sociale) verenigingen te creëren, om de arbeidersbeweging voor te bereiden op de uiteindelijke machtsovername door het proletariaat. Na de revolutie en omverwerping van de regering, ontstaat er namelijk een machtsvacuüm dat opgevuld moet worden. Karl Kautsky stelde dat het de taak van de partij was om het socialistisch bewustzijn te verbreden onder de leden in de verschillende lagen van de vakbeweging, om zo de gehele vakbeweging te kunnen laten samensmelten met het socialisme. Het is namelijk goed mogelijk om vakbondsactiviteiten uit te voeren zonder hier een expliciet communistische politieke lijn bij in het achterhoofd te hebben. Deze ‘samensmeltingstheorie’ duidt dus op het samenbrengen van vakbeweging en het socialistische gedachtengoed.

Met inachtneming van de partijbeweging als concept, kunnen we een belangrijke les trekken wat betreft de CPN. Deze was voor het grootste deel van haar bestaan een vrij rigide partij, die qua politiek programma streefde naar regeren binnen de huidige kapitalistische orde. Dat de ‘zuil’ van de CPN dienst deed als een soort partijbeweging, is volgens Mike Macnair makkelijk te verklaren: de officieel communistische partijen na de Tweede Wereldoorlog wilden in principe wel coalitiepolitiek voeren, maar in de praktijk wilden de meeste burgerlijke (of andere linkse) partijen geen coalities met hen vormen vanwege hun koppeling met de Sovjet-Unie. Het resultaat was dat de officieel communistische partijen moesten functioneren als partijen volgens de lijn van Kautsky, hetzij op een minder democratische manier dan deze voor ogen had. Met andere woorden; het politiek bewustzijn in de maatschappij verbreden door het sociale leven en klassenpolitiek samen te smelten.

Seks in theorie en praktijk

In het hoofdstuk over seksualiteit gaat Weesjes wat meer de diepte in over de verschillende houdingen ten aanzien van seksualiteit binnen de Sovjet-Unie, de verschillen tussen de CPN en de Sovjet-Unie en de verschillen tussen de communistische theorie en activistische praktijk met betrekking tot seksualiteit. Ze haalt aan hoe er in de Sovjet-Unie na de revolutie van 1917 een kortstondige seksuele revolutie plaatsvond, waarbij abortus gelegaliseerd werd, echtscheidingen mogelijk werden, mannen en vrouwen juridisch gelijk in de wet werden opgenomen en homoseksualiteit werd gelegaliseerd. In de jaren twintig werd dit ‘vrije’ beleid echter al grotendeels opgeschort, en onder Stalin werd abortus bijvoorbeeld in 1936 weer gecriminaliseerd. De omwentelingen in het Sovjetbeleid vonden ook hun weerklank in de CPN-lijn, die na jarenlange strijd voor legalisatie van abortus opeens ‘moest’ veranderen van koers. In de praktijk werden deze koerswijzigingen verzwegen of weggemoffeld. Het grote activisme van communisten binnen de NMB (Neo-Malthusiaanse Bond), en zijn naoorlogse opvolger NVSH (Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming), laat dezelfde kloof tussen theorie en praktijk zien. Deze bond, beschrijft Weesjes, was eigenlijk helemaal niet theoretisch ‘zuiver’ voor de communisten, maar waarom precies diept ze niet helemaal uit. 

De praktische noodzaak voor activisme rondom seksualiteit verdrong de theoretische lijn ‘vanuit Moskou’, en kreeg ook door de opkomst van het tweedegolffeminisme in de jaren zeventig de overhand.

De NMB was ontstaan uit angst voor overbevolking. De Neomalthusianen streden voor geboortebeperking door middel van voorlichting en het verstrekken van anticonceptie, en werden door de arbeidersbeweging in theorie gezien als kleinburgerlijk, liberaal en anti-arbeider. Lenin noemt de werkende klasse bijvoorbeeld de vijand van het neomalthusianisme – niet omdat hij het niet eens was met eisen omtrent het recht op abortus en anticonceptie, maar omdat de eisen van de neomalthusianen alleen tot hypocriete wetten door de heersende klasse zouden leiden, en niet tot (lichamelijke en medicinale) autonomie voor de werkende klasse. Sterker nog, ze zouden de heersende klasse meer macht geven over de individuele leden van de bevolking, en daarmee juist de emancipatie van de werkende klasse tegengaan.

Weesjes laat wel zien dat veel vrouwen in de communistische beweging actief waren in de NMB. De praktische noodzaak voor activisme rondom seksualiteit verdrong de theoretische lijn ‘vanuit Moskou,’ en kreeg ook door de opkomst van het tweedegolffeminisme in de jaren zeventig de overhand. Deze actieve houding omtrent seksuele vrijheid was tekenend voor de communisten.

Sociale controle binnen en buiten de partij

Deze vrije seksuele moraal hielp niet met ‘normaal gevonden worden,’ beschrijft Weesjes, maar in het hoofdstuk over ‘de buurt’ wordt toch duidelijk dat de communisten niet alleen in hun ‘zuil’ of voor hun partijbeweging leefden. In dit hoofdstuk vertellen veel geïnterviewden over hun ervaringen vroeger, ‘in de buurt.’ Een wat meer politieke analyse volgt pas echt in het laatste hoofdstuk, waar de communistische jeugdorganisaties breder uiteengezet worden.

De arbeidersjeugd lag om de haverklap in de clinch met de nieuwe politiek betrokken studenten die vaak uit de middenklasse kwamen.

Deze jongerenorganisaties, zoals de OPSJ (Organisatie van Progressieve Studerende Jeugd) voor scholieren en de ANJV (Algemeen Nederlands Jeugdverbond) voor werkende jongeren, waren toegankelijk voor iedereen. Ook jeugd die niet vanuit communistische gezinnen kwam of zelf aangesloten was bij de CPN, kon zich in deze maatschappelijk betrokken organisaties mengen. Zo werden deze verenigingen steeds belangrijker voor niet-communisten. Maar naarmate de partijlijn scherper werd, veranderden de jeugdorganisaties die eerst meer losstonden van de CPN steeds meer in dogmatische actiegroepen. Toch bleven de organisaties belangrijk voor het aantrekken van nieuwe jeugd, zeker toen de CPN in de jaren zestig langzaam wegbewoog van de ‘lijn van Moskou.’ Toen de studentenbeweging in de jaren zestig groot werd, en de provo’s aan aantrekkingskracht wonnen, kwamen er ook steeds meer studenten bij de communistische organisaties. Dit ging niet zonder slag of stoot: de arbeidersjeugd lag om de haverklap in de clinch met de nieuwe politiek betrokken studenten die vaak uit de middenklasse kwamen. Een nieuwe vorm van politiek kwam op, en deze lossere manier van activisme en politiek bedrijven viel bij de meesten van de geïnterviewden meer in de smaak dan het officieel communisme van hun ouders. Zij leken met deze nieuwe manier van politiek bedrijven, hun van huis uit meegekregen solidariteit in praktijk te kunnen brengen – zonder het dogmatisme van de communistische partij. 

Hoewel Weesjes de BVD (Binnenlandse Veiligheidsdienst) regelmatig aanhaalt om aan te geven hoe groot de invloed van het anticommunisme op de geïnterviewden en hun ouders was, wordt de link tussen de dogmatische partijlijn en de schaduwpraktijken vanuit de overheid niet gelegd. Omdat zoveel mensen met communistische sympathieën geschaduwd werden door de BVD, en de BVD de CPN in zijn houdgreep wilde krijgen, werd de houding van de CPN geslotener. Strikt de partijlijn volgen omdat kameraden anders bij de partij konden klikken dat je een intrigant was, werd een vorm van sociale controle die het dogmatisme en de rigide houding van de partij versterkte. Dat het verschil tussen theorie en praktijk binnen gezinnen ‘van’ de CPN alsnog groot was volgens veel van de geïnterviewden, is dan ook noemenswaardig en interessant. 

Luchtig en sympathiek

Wat opvalt in Mama las Marx is dat de geïnterviewden overwegend positief terugkijken op hun opvoeding. Het kernbegrip in alle huishoudens leek solidariteit te zijn, de idealen van de ouders bleven doorwerken in hun kinderen, ook als die verder niets meer met het communisme te maken wilden hebben. De theorie vanuit de partij verschilde vaak met de ideologische theorie, en had zo regelmatig een heel andere uitwerking in de praktijk – zowel in positieve als negatieve zin. Zo is de positie van de vrouw lang onderdrukt gebleven en hielden de politieke voorschriften vanuit de partij traditionele rolpatronen aan, terwijl de ideologie gelijkheid propageerde. In de praktijk leek de seksuele moraal wel een stuk vrijer dan de partij voorschreef. 

De hoofdtoon van Weesjes’ boek is overwegend positief en sympathiek over het communisme van de CPN en de officieel communistische gezinnen. De verschillen tussen theorie en praktijk maken het boek inhoudelijk interessant, naast alleen sympathiek. Ze weet op een erg toegankelijke manier anticommunistische propaganda te duiden, zonder te vervallen in droge, theoretische polemiek. Hoewel de theoretische achtergronden en analyses toch wel belangrijk zijn voor de communistische beweging, wordt deze diepgang hier en daar overschaduwd door anekdotes. De anekdotes maken het boek toegankelijk en luchtig, maar soms misschien iets té. Toch biedt Mama las Marx een mooie indruk van de officieel communistische opvoeding tijdens de Koude Oorlog. 

Elke Weesjes, Mama las Marx, Communistische gezinnen in naoorlogs Nederland. Mazirel Pers 2023, paperback, 296 p. €24,99.

Janne van den Bosch is actief binnen de communistische beweging en de vakbeweging, en werkt in het boekenvak. De samenkomst van literatuur en politieke activiteit houdt haar bezig. Ze specialiseert zich voornamelijk in literatuur met betrekking tot marxistische vrouwenemancipatie.

Abonneer je voor €20 en krijg toegang tot alle artikelen of voor €30 en ontvang dit jaar twee nummers op papier