Hoe de proletarische vrouwenbeweging in opstand kwam tegen het antifeminisme van hun mannelijke kameraden

Internationale Vrouwendag werd in het leven geroepen door de Duitse socialistisch feministe Clara Zetkin. Maar in haar eigen land was de relatie tussen de arbeidersbeweging en de vrouwenbeweging niet zonder tegenstrijdigheden.
Deelnemers van het eerste vrouwencongres van de SPD in Mainz, 15 september 1900. (Wikimedia Commons)

Jacobin #2 is uit! Abonneer je voor €30 en ontvang hem op papier

De vroege Duitse socialistische beweging was grotendeels een mannenaangelegenheid. Seksistische opvattingen waren wijdverbreid en versterkten enkel het staatsverbod op deelname van vrouwen aan de politiek. Maar in het eerste decennium van de twintigste eeuw zette een proletarische vrouwenbeweging de eisen van arbeidersvrouwen op de agenda en drong erop aan dat ze geen vaders en echtgenoten of burgerlijke dames nodig hadden om namens hen te spreken.

Tijdens een debat op het SPD-partijcongres in Halle in 1890 stelde de sociaaldemocrate Emma Ihrer de volgende eis aan haar kameraden: ‘We hebben het recht om door jullie als volwaardige kameraden behandeld te worden.‘ Het was het eerste partijcongres in het Duitse Rijk na het einde van de socialistenwet (1878-1890). Het verbod op sociaaldemocratische organisaties was dus na meer dan tien jaar opgeheven. Maar terwijl mannen zich voortaan weer legaal konden organiseren in arbeidersverenigingen, was het voor vrouwen vanwege de Pruisische verenigingswet nog tot 1908 verboden om lid te worden van politieke verenigingen en om politieke bijeenkomsten bij te wonen.

‘Veel kameraden behandelen de vrouwenkwestie op zo’n belachelijke manier dat je je echt moet afvragen: zijn dit partijkameraden die opkomen voor gelijke rechten?’

Dit weerhield vrouwen als Emma Ihrer, Helma Steinbach en Clara Zetkin er niet van om zich op andere manieren binnen de SPD te organiseren. Maar eerst moesten ze zich in de arbeidersorganisaties tegen mannelijke weerstand wapenen. Klachten over gebrek aan steun en seksistisch gedrag waren niet ongebruikelijk. Zo nam Luise Kähler, een kameraad uit Hamburg, de mannen tijdens het partijcongres van de SPD in Gotha in 1896 onder vuur met de woorden: ‘Veel kameraden behandelen de vrouwenkwestie op zo’n belachelijke manier dat je je echt moet afvragen: zijn dit partijkameraden die opkomen voor gelijke rechten?’

Vergeleken met de arbeidersbeweging keek de proletarische vrouwenbeweging aan het begin van de jaren negentig van de negentiende eeuw terug op een veel kortere geschiedenis. De eerste vakbondsfusies vonden plaats in de jaren tachtig, zoals de ‘Verein zur Wahrung der Interessen der Arbeiterinnen’ (Vereniging voor de Bescherming van de Belangen van Vrouwelijke Arbeiders) of de ‘Fachverein der Berliner Mantelnäherinnen’ (Beroepsvereniging van Berlijnse Mantelnaaisters), beide opgericht in 1885. De gemeenschappelijke ervaring van criminalisering, vervolging en verbanning bracht beide bewegingen tijdens de periode van de socialistenwet dichter bij elkaar.

Vooral in haar beginjaren werd de arbeiderbeweging gekenmerkt door een dominant antifeminisme. Hoewel er tegen de tijd van het partijcongres in Halle belangrijke vooruitgang was geboekt, bleven de antifeministische inborst van hun mannelijke kameraden en patriarchale structuren binnen vakbonden en partijen een organisatorisch obstakel vormen voor de proletarische vrouwenbeweging.

Proletarisch antifeminisme als organisatorische hindernis

Historicus Werner Thönnessen gebruikt de term ‘proletarisch antifeminisme’ om de beginperiode van de Duitse arbeidersbeweging te karakteriseren. Deze beschrijving richt zich vooral op de Algemene Duitse Arbeidersvereniging (ADAV), opgericht in 1863 onder leiding van Ferdinand Lassalle. Binnen de ADAV werd een verbod op vrouwenarbeid geëist, omdat vrouwelijke arbeiders als ‘vuile concurrentie’ werden beschouwd. Ze zouden de lonen drukken en de zo betreurde ontbinding van het gezin bevorderen. Politieke rechten voor het vrouwelijk geslacht werden niet serieus in overweging genomen. Het stemrecht zou ook in de toekomst uitsluitend aan mannen voorbehouden blijven.

De eisen voor een verbod op vrouwenarbeid en voor kiesrecht dat aan mannen voorbehouden was, waren gebaseerd op een vrouwbeeld dat vrouwen voornamelijk tot hun rol als moeder en echtgenote reduceerde. Zich baserend op hiërarchische ideeën over sekse die dominant waren in de bourgeoisie, betoogde Reinhold Schlingmann op een ADAV-bijeenkomst in Berlijn in 1866 dat vrouwen niet mochten werken omdat ze ‘fysiek anders waren, zwakker, ronder, zachter van vorm, minder gespierd: hun lichamen zijn niet in staat tot fysieke inspanning’. Omdat vrouwen ook mentaal anders zijn dan mannen, is er een ‘natuurlijke’ arbeidsverdeling: de man gaat naar de fabriek en de vrouw zorgt voor het huishouden. Het was alleen het kapitaal dat vrouwen (en kinderen) in de fabrieken duwde en ervoor zorgde dat ook zij vervreemdden ‘van de activiteit die hen eigen is’, en hiermee bedoelde Schlingmann reproductief werk zoals het huishouden doen en kinderen opvoeden.

Het sluiten van compromissen werd net zoals een tegenstander in een debat denigrerend afgedaan als vrouwelijk.

De programmatisch-inhoudelijke dimensie van het proletarisch antifeminisme die Thönnessen beschrijft, schiet echter tekort. Historici als Thomas Welskopp wijzen in dit verband op de sociaalhistorische oorsprong van de arbeidersbeweging. Deze ligt niet in het industriële proletariaat. De sociale basis van de arbeidersbeweging was aanvankelijk het oude ambacht van kleine meesters en knechten. De misogyne gezellencultuur die daar wijdverbreid was, was daarom eerder de oorzaak van het proletarisch antifeminisme. Deze sociaalhistorische of cultuursociologische dimensie gaat verder dan beschrijvingen van het seksistische gedrag van de kameraden die in de klassieke werken over de vrouwenbeweging te vinden zijn, omdat het de structurele grondslagen van het proletarisch anti-feminisme verduidelijkt.

Sociaal gezien was de vereniging de enige sociale ruimte waarin de opvattingen van de arbeiders over hun persoonlijkheid zich op een autonome manier konden ontwikkelen. In de arbeidersvereniging konden mannen, volgens Welskopp, ‘waardig overkomen’, ‘respect tonen’, op gelijke voet debatteren en zo actieve politiek-sociale individuen zijn’. In de rokerige ‘volksvergaderingen’ werd met deze retorische vaardigheden, principiële standvastigheid en drankgebruik een mannelijke habitus gecultiveerd. Het sluiten van compromissen werd net zoals een tegenstander in een debat denigrerend afgedaan als vrouwelijk. De uitsluiting van vrouwen was ‘de keerzijde van het verenigingssysteem, in de loop van een universalisatie en transformatie van een oorspronkelijk misogynistische arbeiderscultuur’. De uitsluiting van vrouwen was dus een vormend onderdeel van de opkomst van de strijdlustige actieve mannelijke burger.

Het doel van het proletarisch antifeminisme was om de patriarchale relaties tussen de seksen in stand te houden: De man als ‘enige kostwinner’ en de vrouw in haar zogenaamd ‘natuurlijke’ rol als moeder en huisvrouw. De eisen van de proletarische antifeministen kunnen ook worden opgevat als een wat hulpeloze reactie op de toenemende uitholling van de familiebanden in de loop van de industriële ontwikkeling van de moderniteit. In feite ging het echter nooit om een algemeen verbod op vrouwenarbeid. Vrouwen hebben altijd gewerkt en zouden dat ook moeten blijven doen, maar niet in beroepen die als ‘mannelijk’ werden gezien.

Al met al was het proletarisch antifeminisme erg gelaagd, omdat het naast het klassieke programmatisch-inhoudelijke niveau ook een culturele laag bevatte. Na de mislukte burgerlijke revolutie van 1848 kwam er een reactionaire herstelfase. Met de Pruisische wet op verenigingen die in 1850 werd aangenomen, werd het vrouwen verboden om zich politiek te organiseren. Bovendien legde de zogenoemde wet ‘Lex Otto’ aan vrouwen perscensuur op. Nadat de arbeidersbeweging was opgericht, was het antifeminisme dat zij ook zelf uitdroeg dus wettelijk verankerd. De arbeidersbeweging moest een manier vinden om met deze antifeministische erfenis om te gaan.

Marxisme als emancipatieprogramma

Totdat de sociaaldemocratische vrouwenbeweging de ruimte kreeg die ze voor haar ontwikkeling nodig had, moest eerst het proletarische antifeminisme in een langdurig en moeizaam proces worden teruggedrongen. Een belangrijke bijdrage hieraan werd geleverd door de marxistische theorie zoals beschreven in August Bebels De vrouw en het socialisme (1879) en Friedrich Engels’ De oorsprong van het gezin, privé-eigendom en de staat (1884). Deze twee werken over de ‘vrouwenkwestie’ waren zeer belangrijk voor de arbeidersbeweging, maar bleven ook lange tijd de enige meer uitgebreide essays over dit onderwerp. Hoewel de ‘vrouwenkwestie’ in sommige sociaaldemocratische tijdschriften werd besproken, werden er nauwelijks standpunten van enige betekenis geformuleerd.

Aan het begin van zijn boek ging Bebel uitgebreid in op de eisen van het verbod op vrouwenarbeid, die hij als ‘kortzichtig’ bestempelde. ‘Je verzetten tegen vrouwenarbeid is net zo onzinnig als vechten tegen de invoering van machines, of de achteruitgang van de kleine industrie met reactionaire maatregelen willen stoppen die bovenal ontoereikend zijn,’ schreef Bebel. In de marxistische theorie van vrouwenemancipatie staat daarentegen het besef centraal dat betaald werk voor vrouwen een voorwaarde is voor hun emancipatie in de arbeidersbeweging. ‘De bevrijding van vrouwen wordt pas mogelijk,’ schreef Engels, ’zodra ze kunnen deelnemen aan de productie op grote, maatschappelijke schaal en huishoudelijk werk hen slechts in onbeduidende mate bezighoudt.’ Hij beschouwde de industriële ontwikkeling als de motor van dit proces.

Maar deze standpunten, die braken met het ‘ambachtscommunisme’ van de pre-industriële arbeidersbeweging, kwamen niet zomaar uit de lucht vallen. Integendeel, ze ontwikkelden zich slechts voorzichtig in die delen van de beweging die in sterkere mate beïnvloed waren door het liberalisme, zoals bijvoorbeeld de Sozialdemokratische Arbeiterpartei die in 1869 werd opgericht door August Bebel en Wilhelm Liebknecht.

Zo is de liberale invloed op de eerste edities van Bebels De vrouw en het socialisme onmiskenbaar. De marxistische oriëntatie werd pas aangescherpt door de vele revisies die de Arbeiterkaiser [bijnaam voor Bebel, red.] doorvoerde in de talrijke heruitgaven, waardoor het aantal pagina’s aanzienlijk toenam.

In de daaropvolgende decennia vormden deze twee werken het kader van de debatten over de marxistische theorie van vrouwenemancipatie. Clara Zetkin nam het stokje over van Bebel en Engels met haar toespraak op het oprichtingscongres van de Tweede Internationale in Parijs in 1889. Deze werd in hetzelfde jaar als een vlugschrift gepubliceerd. Zetkin zette hierin de hoofdlijnen uiteen van een actieprogramma voor de proletarische vrouwenbeweging, dat ze in de jaren negentig van de negentiende eeuw verder uitwerkte. Alle drie de bijdragen werden geschreven voor de beweging en waren van doorslaggevende betekenis voor het terugdringen van antifeministische eisen binnen de partij, die echter zeker nooit helemaal verdwenen.

De verworven ruimte van de proletarische vrouwenbeweging

Ondanks een groot aantal hindernissen probeerde de proletarische vrouwenbeweging zich na de afschaffing van de socialistenwet in 1890 te organiseren binnen de gelederen van de sociaaldemocratie. Om dit te kunnen bewerkstelligen ontwikkelden ze wat ik ‘verworven ruimte’ noem. Dit was nodig om überhaupt in politiek opzicht te kunnen groeien in het seksistische milieu van de arbeidersbeweging. Deze ruimte was veelzijdig, maar omvatte vooral autonome structuren binnen de SPD, die ook noodzakelijk waren, gezien de repressieve juridische situatie. Het best passende organisatieconcept werd echter niet op de tekentafel ontworpen, maar kwam voort uit de praktijk.

In de beginperiode werd het verbod op verenigingen omzeild door de zogenaamde agitatiecomités. Deze comités hadden geen statuten, reglementen, leiding of lidmaatschap. Al op het partijcongres in Halle was er ook een persdebat waarin vrouwelijke kameraden klaagden over de publicatiepraktijken van de socialistische kranten, die vrouwen nauwelijks ruimte gaven in de kolommen van hun kranten. Helma Steinbach uit Hamburg eiste bijvoorbeeld haar ‘stuk wit papier’ op omdat de plaatselijke arbeiderskrant haar artikelen niet wilde afdrukken. In de daaropvolgende periode vestigde het tijdschrift Die Gleichheit, onder leiding van Clara Zetkin, zich als de onbetwiste spreekbuis van de proletarische vrouwenbeweging.

Deze congressen hebben buitengewoon veel bijgedragen aan het feit dat we tegenwoordig zoveel geschoolde vrouwelijke kameraden hebben.’

De agitatiecomités werden groter en verspreidden zich over het hele Duitse Rijk. In 1893 werd het Berlijnse comité het centrale orgaan op het partijcongres van de SPD in Keulen. Een golf van staatsrepressie die in hetzelfde jaar begon, maakte echter een einde aan deze organisatorische basis. De comités werden tot verenigingen verklaard en geleidelijk ontbonden totdat het model in 1895 geen levensvatbare optie meer was. Er was een nieuw concept nodig om het werk in meer stabiele banen te leiden.

Hiervoor namen de activisten hun toevlucht tot de zogenaamde ‘vertrouwenspersonen’, waarachter kleinere en grotere groepen socialisten schuilgingen. Op bijeenkomsten discussieerden ze samen, ontwikkelden ze standpunten en organiseerden ze de arbeidersstrijd. Na verloop van tijd ontwikkelde zich een steeds dichter netwerk van vertrouwenspersonen, dat van 1900 tot 1908 werd geleid door Ottilie Baader als centrale vertrouwenspersoon. In deze periode groeide het aantal vertrouwenspersonen van 25 naar 407. Als gevolg van deze snelle toename werd een extra laag in de organisatie toegevoegd in de vorm van districtsvertrouwenspersonen. In 1905 erkende de SPD deze laag officieel als structuur binnen de organisatie.

De rol van de sociaaldemocratische vrouwencongressen, die tussen 1900 en 1911 om de twee jaar plaatsvonden, op één uitzondering na vóór de reguliere partijcongressen, wordt vandaag de dag door Duitse historici nog steeds enorm onderschat. Op deze congressen kwam de proletarische vrouwenbeweging uit het hele Duitse Rijk bijeen om over actuele vraagstukken en oplossingen te debatteren.

De oprichting van deze autonome structuren, die ontstonden in het laatste decennium van de negentiende eeuw, waren voor de proletarische vrouwenbeweging onder de specifieke omstandigheden van die tijd een belangrijke stap. Maar tegelijkertijd leidde deze praktijk tot een gespannen verhouding tussen de ambitie van de partij om mannen en vrouwen samen te organiseren en dat wat in feite een grotendeels gescheiden organisatie was. In de partij werd naar bevind van zaken met dit probleem omgegaan. De afzonderlijke structuren moesten worden getolereerd zolang de omstandigheden een gezamenlijke organisatie niet in de weg stonden. Het was dan ook niet verwonderlijk dat nadat het verbod op vrouwenverenigingen in 1908 werd opgeheven, de SPD snel de autonome structuren van de proletarische vrouwenbeweging begon te ontmantelen en in de partij als geheel opnam – deels tegen protest van vrouwelijke kameraden in.

Op het vrouwencongres in Neurenberg in 1908 benadrukte Luise Zietz: ‘Deze congressen hebben buitengewoon veel bijgedragen aan het feit dat we tegenwoordig zoveel geschoolde vrouwelijke kameraden hebben […] Het zou een buitengewoon grote terugslag voor de vrouwenbeweging zijn als de vrouwenconferenties zouden worden afgeschaft.’ Ondanks alle tegenstand werd de integratie van vrouwen in de partij grotendeels geregeld op het volgende reguliere partijcongres met de Overeenkomst van Vrouwelijke Kameraden met het Partijbestuur’. Het netwerk van vertrouwenspersonen en de ‘aparte’ vrouwenvergaderingen voor de verkiezing van afgevaardigden voor het partijcongres werden afgeschaft. De vrouwencongressen bleven formeel bestaan – en in 1911 vond na grote conflicten een laatste in Jena plaats – maar daarna werden ze alleen nog op districtsniveau gehouden, waar ze onder controle van het partijbestuur stonden.

Wat bleef er over?

Is de proletarische vrouwenbeweging in Duitsland dan mislukt? Nominaal was ze in ieder geval voor de Eerste Wereldoorlog in volle bloei en gold ze als voorbeeld voor de partijen van de Tweede Internationale. Het is opmerkelijk dat deze verworven ruimte vóór 1908 ook internationale socialisten als Alexandra Kollontai inspireerde. Deze laatste schrijft in haar autobiografie over haar deelname aan de Vrouwenconferentie van Mannheim in 1906: ‘Ontmoetingen en gesprekken met Clara Zetkin, met de arbeidster Ottilie Baader […] en anderen overtuigden mij van de juistheid van mijn streven om binnen de partij plek in te ruimen voor het werk van vrouwen.’

De Internationale Communistische Vrouwenbeweging, opgericht in Moskou in 1920, nam deze traditie van verworven ruimtes over. Onmiddellijk na haar oprichting richtte ze een eigen tijdschrift op en een Internationaal Vrouwensecretariaat, dat het werk van de vrouwenafdelingen in de communistische partijen over de hele wereld moest coördineren. Het Internationale Vrouwensecretariaat functioneerde zes jaar lang als een autonoom orgaan en werd pas tijdens de stalinisatie in 1926 gedegradeerd tot een afdeling van het Uitvoerend Comité van de Komintern.

Over het geheel genomen was het proces van integratie van de proletarische vrouwenbeweging in de structuren van de sociaaldemocratie doorspekt met tegenstrijdigheden – zo werd in 1908 een stuk democratisch potentieel in de strijd voor vrouwenemancipatie door de partijleiding begraven.

Vincent Streichhahn doet als politicoloog aan de Universiteit Halle onderzoek naar de genderverhoudingen in de politieke bewegingen van de negentiende en begin twintigste eeuw. Hij is één van de samenstellers van Geschlecht und Klassenkampf. Die ›Frauenfrage‹ aus deutscher und internationaler Perspektive im 19. und 20. Jahrhundert.

Vertaling: Tina Hoenderdos

Steun de groei van het socialisme in Nederland

Abonneer je voor €20 en krijg toegang tot alle artikelen of voor €30 en ontvang jaarlijks twee nummers op papier