Search
Close this search box.

Hoe Giorgia Meloni extreemrechts mainstream maakt

Onlangs ontdekten genealogen dat de premier van Italië, Giorgia Meloni, een verre verwant is van Antonio Gramsci. Hoewel ze weinig met elkaar gemeen hebben, is Meloni bezig met een campagne voor controle over culturele instellingen. Het is iets wat Gramsci niet zou verbazen.
Georgia Meloni en Sergio Mattarella (president van Italië), maart 2023. Bron: Wikimedia Commons.

Abonneer je voor €30 en krijg toegang tot alle artikelen en dit jaar twee nummers op papier.

Giorgia Meloni, de voormalige fascist en huidige premier van Italië, is een verre verwant van de communistische theoreticus Antonio Gramsci. Op het eerste gezicht lijkt deze ontdekking, die Italiaanse genealogen in december onthulden, misschien een interessant stukje trivia – grappig maar uiteindelijk nietszeggend. Maar Meloni, die geen van de politieke ideeën van haar voorouder deelt, verrees uit een proces van sociale transformatie dat de auteur van de Gevangenisnotities zonder moeite zou begrijpen.

Meloni’s opkomst werd gevoed door een bredere rechtse culturele verschuiving, die haar opvattingen normaliseerde door ze te koppelen aan het zelfbeeld van Italië, in een streven naar wat Gramsci hegemonie zou hebben genoemd. Zo ontleent Fratelli d’Italia, Meloni’s partij, haar naam aan het openingsvers van het Italiaanse volkslied.

Net als oorlog is cultuur de voortzetting van politiek met andere middelen. Sinds haar zitting in het Palazzo Chigi [het Italiaanse regeringsgebouw in Rome, red.] hebben Meloni’s praetorianen met gezwinde spoed alle sleutelposten in de culturele infrastructuur van het land ingenomen. Er is een stormachtige machtsgreep gepleegd op musea, theaters, orkesten, literaire beurzen en prijzen, de Biënnale van Venetië en universiteiten.

De muur tussen de politieke klasse en de vierde macht van de media is onder Meloni’s bewind bijzonder poreus geworden.

Op de nationale omroep Rai zijn alle presentatoren van de belangrijkste nieuwsprogramma’s schijnbaar van de een op andere dag ingewisseld om de huidige machtsverdeling te weerspiegelen. Rai heeft drie hoofdkanalen: Rai 1, Rai 2 en Rai 3. Sinds de laatste verkiezingen is TG1, het nieuwsprogramma van Rai 1, veranderd in het persbureau van Fratelli d’Italia, TG2 in de megafoon van Forza Italia en TG3 in de spreekbuis van de centrumlinkse Democratische Partij, voorheen de Italiaanse Communistische Partij.

De muur tussen de politieke klasse en de vierde macht van de media is onder Meloni’s bewind bijzonder poreus geworden. Als beloning voor zijn trouwe diensten aan haar regering benoemde ze Gennaro Sangiuliano, de voormalige redacteur van TG2, tot minister van Cultuur. Dit is de man die als voorzitter van de prijsuitreiking van de Premio Strega, de belangrijkste literaire prijs in Italië, openhartig opbiechtte dat hij geen enkel boek van de shortlist had gelezen.

De Italiaanse postfascisten maken zich echter niet schuldig aan iets nieuws. Stevig in de gaten gehouden door de Verenigde Staten, die er in de naoorlogse periode alles aan deden om links te ondermijnen en de opkomst van het communisme te voorkomen, heeft Italië altijd moeite gehad om onafhankelijke culturele instellingen te ontwikkelen. Dit spel van vriendjespolitiek is zo populair geworden dat het zelfs een eigen naam kreeg, lottizzazione of ‘beloningssysteem’. Decennialang werd dit systeem schaamteloos in praktijk gebracht door centrumlinks.

Net als Donald Trump, die zijn schoonzoon Jared Kushner benoemde tot adviseur, heeft Meloni ook een vorm van nepotisme toegepast. Haar zwager Francesco Lollobrigida is minister van Landbouw en gebruikt zijn platform om tijdens officiële toespraken racistische samenzweringstheorieën over de Grote Vervanging te verkondigen.

Moderne erfgenamen van het fascisme

In de praktijk is dit streven naar culturele hegemonie vooral gericht op de ‘lage’ en populaire cultuur. Een spraakmakende Tolkien-tentoonstelling die momenteel in Rome te zien is, probeert aan te tonen dat het culturele pantheon van extreemrechts is veranderd. De schuimbekkende racist Julius Evola, de filosoof van het fascisme Giovani Gentile en de extreemrechtse futuristische dichter Filippo Marinetti hebben plaatsgemaakt voor de anti-moderne trilogie The Lord of the Rings. Friedrich Nietzsche en Richard Wagner ruimden het veld en de erfgenamen van het fascisme zijn nu mainstream – en populair. Op het Atreju festival, de culturele conferentie van Fratelli d’Italia, waren de miljardair Elon Musk en de Britse premier Rishi Sunak welkome gasten.

De Italiaanse postfascisten zijn duidelijk tot de mainstream doorgedrongen. Wat deze overgang vergemakkelijkt heeft, is dat een groot deel van Italiaans rechts de Angelsaksische cultuuroorlog over heeft genomen. Ze zijn er met succes in geslaagd om de Anglo-Amerikaanse strijd tegen het ‘cultuurmarxisme’ te verplaatsen naar Italië waar, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, links al lang een sterke invloed heeft op de media-instellingen van het land, zij het dan vooral op die van de hoge cultuur.

In Italië was ‘hoge cultuur’ over het algemeen het domein van links. De belangrijkste reden hiervoor is de sterke anticommunistische wind die door de naoorlogse Italiaanse politiek waaide en verhinderde dat links de politieke macht kon grijpen. Links werd zo naar de culturele arena verbannen. Na 1945 regeerden de christendemocraten het land onder Amerikaanse voogdij, totdat corruptieschandalen hen in de vroege jaren negentig de das omdeden en de weg vrijmaakten voor Silvio Berlusconi’s dominante positie in de Italiaanse politiek. Tijdens de bevrijding van de Nazi’s en hun fascistische bondgenoten in 1943-45 koos de Italiaanse Communistische Partij (PCI) onder leiding van Palmiro Togliatti, uit angst voor vijandige Amerikaanse invloed, voor een parlementaire in plaats van revolutionaire weg naar het socialisme.

Pact tussen christendemocraten en communisten

Togliatti, die buiten de macht werd gehouden, bouwde via de PCI een uitgebreid en fijnmazig netwerk op van instellingen zoals de Case del Popolo, arbeidersclubs waar gewone mensen dagelijks konden leren over Marx en Stalin. De fascistische Movimento Sociale Italiano (MSI) bleef gedurende deze periode een minderheidscohort bestaande uit gekken met Mussolini-nostalgie. Dit zorgde voor een vreemd machtsevenwicht in een geblokkeerde democratie waar radicaal links nooit electoraal aan de macht mocht komen. Het leidde tot de totstandkoming van een ongeschreven pact tussen de christendemocraten en de PCI.

De christendemocraten namen de leiding over de economie, de openbare orde, buitenlandse zaken en de media, terwijl de PCI door omstandigheden de controle over kunst en cultuur kreeg. Als gevolg hiervan zijn alle grote uitgeverijen en de meeste intellectuelen, kunstenaars, academici en openbare culturele instellingen altijd post-marxistisch geweest.

Bij gebrek aan een duidelijke vijand heeft rechts cultuur gebruikt als middel om zich te onderscheiden van de politieke hoofdstroom.

Nu links zo goed als niet meer bestaat, staat rechts weinig in de weg om de controle over de culturele sfeer over te nemen. Maar bij gebrek aan een duidelijke vijand heeft rechts cultuur gebruikt als middel om zich te onderscheiden van de politieke hoofdstroom. Italiaanse liberalen hebben dit gedaan door zich op te werpen als verdedigers van burgerrechten en tegelijkertijd privatisering en bezuinigingen door te drukken. Ondertussen moesten de postfascisten – gedwongen om de fiscale lijn te volgen die door Brussel werd opgelegd – hun culturele verschillen overdreven benadrukken om de neoliberale consensus te maskeren die zij en hun liberale tegenstanders deelden.

Zolang de postfascisten en liberalen het eens blijven over de omvang van het Italiaanse begrotingstekort, het strenge migratiebeleid en het gevaar van grootschalige overheidsuitgaven voor de economie, zullen musea en tv-programma’s de enige plaatsen blijven waar politieke verschillen zichtbaar kunnen worden gemaakt.

Leonardo Clausi is freelance journalist en woont en werkt in Londen en Rome.

Vertaling: Tina Hoenderdos